Een Schipperke in huis – de keuze voor het ras –

We hebben een Schipperke! Later schrijf ik meer: over de voorbereiding, over de puppytijd, over de voor- en nadelen in relatie tot autisme. Nu over hoe we tot de keuze tot een Schipperke zijn gekomen.

Als ik terugkijk, ben ik in de eerste plaats heel blij dat we de tijd hebben genomen, en ook dat het met de keuze voor een ander ras is misgelopen. Uiteindelijk hebben we op intuïtie gekozen, en dat is een beslissing waarin je je verstand alle ruimte hebt gegeven (dus veel onderzoek hebt gedaan), en dan op gevoel de keuze maakt. Voor een belangrijke beslissing is dat, volgens mij, de beste methode.

Ik wilde al heel lang een hond. Maar ik werkte, we gingen er vaak op uit met de motor, en dat betekende dat we een hond gewoon niet voldoende tijd zouden kunnen geven. Na Corona bleef ik thuis werken, en ik kon tenslotte zelfs halve dagen gaan werken. Motorrijden deed ik steeds minder, tot ik tenslotte het besluit nam dat niet meer te doen. Het werd tijd voor een hond!

Op het eerste gezicht

Ik was al heel lang gefascineerd door de Shiba Inu. Meer dan twintig jaar geleden kwamen we op bezoek bij een collega van Ernst. Zijn vrouw had een kennel met Shiba Inu’s, en er was er daar één in huis. Hij was een beetje gereserveerd, maar uiteindelijk kwam hij naast me op de bank liggen. Ik vond het een prachtige hond.

Een Shiba Inu ziet eruit als een hondje uit een tekenfilm, in de eerste plaats. De film Hachi, a dog’s tale, waarin Richard Gere wordt geadopteerd door een hond (ja, niet andersom), die hem elke ochtend begeleidt naar de trein die hij naar z’n werk neemt, en ’s avonds weer opwacht, en dat jarenlang is blijven doen nadat zijn baasje gestorven was, had een Akita in de hoofdrol. De film is op een werkelijk gebeurd verhaal gebaseerd, en de hond in dat verhaal was een Shiba Inu.

Toen begon ik echt onderzoek te doen. De Shiba heeft, zo las ik, een enorm jachtinstinct, en je kunt hem eigenlijk nooit los laten lopen. Je tuin moet een hoge (en diepe) omheining hebben, anders ontsnapt hij zeker. En, voor mij het belangrijkst, het is geen echt ‘knuffelhond’. Hij is wel trouw naar je, maar houdt meestal niet echt van knuffelen.

De grote hondenliefde van Ernst was en is een Malamute. Maar we wisten allebei dat we die niet het leven zouden kunnen geven dat zo’n hond verdient.

Met het verstand

We begonnen nu met ons verstand te selecteren.

De eerste keuze die je dan maakt, is voor een hond uit een asiel of een hond van een fokker.
We hebben allebei veel ervaring met honden, maar dat is van lang geleden. Met een hond uit een asiel weet je niet wat de hond allemaal heeft meegemaakt. Met een hond van een fokker weet je dat wel. We besloten dan ook dat het een hond van een fokker zou worden. Een goede fokker, uiteraard.

Dan is de volgende vraag: welk ras?

Een wensenlijst

Wat wilden we eigenlijk van een hond?

Allebei houden we op de een of andere manier van eigenwijze honden, van honden die zelf nadenken, die niet slaafs afwachten wat jij ze beveelt. Dat hangt natuurlijk af van hoe je ze opvoedt, maar sommige rassen hebben dat zo in zich dat je ze vrijwel niet tot slaafse commandomachine kunt maken.

De belangrijkste eigenschap voor mij was: een hond die heel erg aan jou is gehecht, en dat liefst ook lichamelijk laat zien: een hond die van knuffelen houdt.

Belangrijk voor ons beiden ook: een gezonde hond, dat wil zeggen: geen ras dat zo is doorgefokt dat de honden ongezond worden, hetzij door de lichaamsbouw (te groot en daardoor heupdysplasie, de korte snuit en daardoor ademhalingsproblemen) hetzij door inteelt (vaak voorkomende genetische ziektes).

We willen graag een hond om lekker veel buiten te komen, maar een hond die echt heel veel beweging nodig heeft, zoals een Malamute of een Husky, dat wilden we onszelf niet aandoen.

Tenslotte houd ik zelf niet van naar de kapper gaan, dus wil ik geen hond die naar de trimsalon moet. De meeste terriërs bijvoorbeeld, hebben een vacht die geplukt moet worden, wat heel moeilijk zelf te doen is. Ook zijn er honden die je moet knippen, zoals Poedels. Borstelen is prima, maar daar moet het bij blijven.

Als je kijkt naar de groepen zoals de FCI ze indeelt, dan waren er een aantal die we konden uitschakelen:
1.- Herdershonden en veedrijvers. Dat zijn honden die echt moeten kunnen werken. De Border Collie is een voorbeeld van een veedrijver. Ook herdershonden moet je echt een taak geven. In beide gevallen betekent dat, dat het honden zijn die niet getraind zijn op zelf nadenken, maar op het uitvoeren van wat de baas wil.

Ik maakte een paar uitzonderingen:

  • De Picardische herdershond: heel eigenzinnig, een uiterlijk dat ons heel erg aanspreekt. Enig nadeel: erg groot,
  • Het Schipperke: heel slim en eigenzinnig, erg gehecht aan zijn mensen,
  • De Korthaar Schotse Collie: ook weer erg gehecht aan zijn mensen, en veel minder een workaholic zoals zijn neef de Bordercollie.

2.- Pinchers, Schnauzers, Molossers en Sennenhonden Hier zitten veel grote honden tussen die tot taak hadden in hun eentje de kudde of de boerderij te beschermen: lastig als je in een dorp woont. De Schnauzers hebben hetzelfde nadeel als Terriërs: die moeten naar de trimsalon. De Pinchers spraken ons op de een of andere manier niet aan.

3.- De Terriërs hebben vrijwel allemaal het trimsalonprobleem. De Bullterriër is een uitzondering, maar die ziet ons er te “doorgefokt” uit.

4.- De Dashonden vallen af omdat die er als het ware op gefokt zijn om rugproblemen te krijgen: we willen graag een “natuurlijke” hond.

5.- Spitsen en Oertypes. Dit is de groep waar de Shiba Inu en de Malamute in vallen.

zijn voorbeelden van honden die passen in wat we ons voorstellen; er zijn er meer in deze groep.

6. Lopende honden en Zweethonden zijn honden die vooral voor de jacht bedoeld zijn. Ze hebben bovendien allemaal hangende oren (en dat betekent: gemakkelijk een ontstoken oor).

7. Voorstaande honden. Ook weer: honden die bedoeld zijn voor de jacht. Ik heb een zwak voor Setters, maar toch vallen deze honden ook allemaal buiten ons wensenpakket.

8. Retrievers, Spaniels en Waterhonden. De Poedels en Poedelachtigen moeten getrimd worden. Ze hebben allemaal ook weer hangende oren. Ook deze groep lieten we vallen.

9. Gezelschapshonden. De meeste hiervan zijn eigenlijk te klein om nog gezond te zijn. Vaak hebben ze ook een zeer verzorgingsintensieve vacht.

10. Windhonden. Voor de windhonden moet je eigenlijk iet doen om ze af en toe helemaal uit te kunnen laten rennen. We hebben geen idee hoe we dat voor elkaar zouden kunnen krijgen. De groep viel dus af.

Uit alle beschrijvingen leek de Eurasier de meest ideale hond. Rustig, eigenzinnig, maar gemakkelijk. Waaks, maar niet luidruchtig.

De Eurasier

We besloten dus voor de Eurasier te kiezen.

Ik meldde me aan bij de Eurasier vereniging. Het idee is daar dat je langsgaat bij een jaarlijks georganiseerde clubmatch (een weekend op een zeer hondvriendelijke camping), en op bezoek gaat bij een Eurasier-eigenaar in de buurt. Daarna kun je op de wachtlijst, die naar verwachting ongeveer drie jaar bedraagt.

Het was leuk om tijdens de clubmatch zoveel Eurasiers bij elkaar te zien. Het was duidelijk dat het erg rustige, tamelijk onverstoorbare honden waren. Tijdens een wandeling kwamen we langs een hek van waar achter twee Teckels zich de longen uit hun lijf blaften; de Eurasiers liepen er voorbij alsof de Teckels helemaal niet bestonden.

Drie jaar wachten vond ik te lang. Een zustervereniging in Duitsland had een andere procedure: een waarbij de fokkers zelf beslissen naar wie de puppy’s gaan. Ik schreef een paar fokkers aan, en eentje meldde dat ze van plan was haar teefje voor de eerste keer te laten dekken; als alles goed ging zouden er komend voorjaar puppy’s zijn. Dat kwam ons perfect uit.

Ik werd voortdurend via WhatsApp op de hoogte gehouden. De dekking verliep goed. Bij de eerste echo waren er twee puppy’s te zien (“Dan wordt eentje van jullie en de andere gaat naar de fokster van de moeder”); bij de tweede echo waren het er 5.

Toen de puppy’s 5 weken oud waren mochten we langskomen, ten zuiden van Frankfurt, dus erg ver rijden. Het bezoek ging vreemd. De vrouw met wie ik vele maandenlang vrijwel dagelijks contact had gehad meed oogcontact en zei niets; haar man voerde het woord, vroeg ons niet, maar vertelde van alles over honden wat ik al lang wist. Toen we weggingen zeiden ze dat ze zich bij ons zouden melden met de keuze voor welke hond wij zouden krijgen.

De volgende ochtend kregen we een berichtje dat we geen puppy zouden krijgen. Dat was een ‘buikgevoel’. De enige reden die ik kan verzinnen is dat ze alle pups al aan anderen beloofd hadden (we waren de laatsten die ze langs hadden gevraagd), omdat ze het te ingewikkeld vonden om een hond naar het buitenland te verkopen.

De ellende is dat we ons al helemaal gehecht hadden aan een van de pups, via de foto’s, en ook tijdens het bezoek. Het was echt een periode van rouw; ik kan dat niet anders noemen.

Ik heb me toen nog bij andere fokkers gemeld, maar langzamerhand beseften we allebei: een Eurasier zit er voor ons niet meer in. Een andere Eurasier zou altijd verbonden zijn met deze absurde en nare ervaring.

Met intuïtie

Precies in de tijd dat we als het ware afscheid aan het nemen waren van het idee dat onze hond een Eurasier zou worden, zag ik in Mheer mensen met een zwart hondje. “Is dat een Schipperke?”, riep ik ze toe.

Ze antwoordden in het Engels. Het waren Amerikanen die in de buurt van Luik woonden, en ze hadden inderdaad een Schipperke bij zich.

Ernst knielde neer naast de hond, die zich liet aaien. De vacht was ongelofelijk lekker om te aaien.

Het waren heel plezierige mensen, die in allerlei opzichten op ons leken. De man vertelde van alles over het ras. We bleven echt lang praten, wat voor mij uitzonderlijk is. De hond liet zich ook door mij aaien, en ik was het geheel met Ernst eens.

Al die tijd blafte de hond niet. Ze bleef geduldig naast haar mensen staan, en genoot van de aandacht die ze van ons kreeg.

De beslissing was genomen: het zou een Schipperke worden.

Toen we een poos later ter kennismaking bij een fokker langsgingen, hadden we alle tijd dat we daar waren beiden een hond op schoot. Ze stonden als het ware in de rij om bij ons op schoot te mogen. Ik heb nog nooit zoveel oxytocine in een uurtje geproduceerd, geloof ik 🙂