Ik heb een autistische interesse voor theorieën over autisme; iets anders kan ik het niet noemen. Dan is een theorie die uitgaat van die autistische interesses natuurlijk extra interessant. Zo’n theorie is het monotropisme.
Wie mij een beetje kent weet dat ik veel waarde hecht aan de theorie van het precieze brein. Hoe verhouden die twee theorieën zich tot elkaar? Welke is ‘beter’?
En, nog belangrijker, wat kan je ermee, met die theorie van het monotropisme? Hoe kan die theorie je helpen om jezelf beter te begrijpen en meer grip te krijgen op je leven?
Monotropisme

Dinah Murray ontwikkelde de theorie van het monotropisme als verklaring voor autisme. De eerste keer dat ze ermee naar buiten kwam, was op een conferentie in 1992. Je ziet daar duidelijk dat ze monotropisme nog als een ‘defect’ ziet (‘In autism, I believe, that distribution somehow goes wrong and arousal is monotropic or focussed in only one interest at a time.’).
De uitleg van wat monotropisme is, is een beetje ingewikkeld. Het komt er op neer dat de meeste mensen polytropistisch zijn, dat wil zeggen, in heel veel zaken een beetje geïnteresseerd zijn. Monotropisme houdt in dat je in een heel beperkt aantal zaken zeer geïnteresseerd bent.
Je kunt alleen aandacht voor iets opbrengen wanneer je als het ware kunt aanhaken bij een van je interesses. Daardoor is het voor de meeste mensen gemakkelijk om ergens de aandacht bij te houden. Wanneer je monotropisch bent, kan dat alleen als er iets is dat aanhaakt bij een van die paar ‘special interests’.
Wanneer je aandacht op die manier is aangehaakt, vindt ‘attention tunnelling‘ plaats: je aandacht wordt volledig opgeslokt, en kan niet gemakkelijk switchen naar een volgend onderwerp. Bij polytropisme is switchen heel makkelijk, omdat de vele interesses zo dicht bij elkaar liggen.
Heel in het kort komt het dus op het volgende neer:
- Monotropie betekent: een beperkt aantal, intensieve interesses.
- Om iets aandacht te geven moet je kunnen ‘aanhaken’ bij een interesse.
- Daardoor kun je, als je monotropisch in elkaar zit, zeer intensief aandacht besteden (aan iets dat je interesse heeft).
- Je kunt dan heel moeilijk schakelen naar iets anders.: je kunt in hoge mate slechts één ding tegelijk.
Het mooie is dat Dinah Murray van steeds meer mensen te horen kreeg dat zij zelf misschien ook autistisch was. Ze herkende zichzelf ook toen ze haar verhaal vertelde op Autscape (een conferentie van autisten voor autisten in Engeland). Ze ging het diagnosetraject in, en bleek inderdaad autistisch.
De theorie van het monotropisme is dus een theorie van iemand die zelf autistisch is, zonder dat te weten.
Wat vind ik ervan?

Bij zowel het woord monotropisme als het plaatje dat erbij wordt gegeven, geven mij het gevoel dat er iets niet klopt. ‘Mono’ betekent één. De theorie heeft het weliswaar niet over één interesse, maar over een beperkt aantal, die dan ver uit elkaar liggen.
Bij mij zit het anders in elkaar, en ik ben benieuwd hoe dat bij anderen zit. Ik heb niet één interesse, maar meerdere. Die interesses komen en gaan. Autisme is een blijvende (hoewel ik soms het woord autisme niet meer kan horen). Honden is op dit moment ook een Grote Interesse. Chimpansees, papegaaien, raven, intelligentie bij dieren, intelligentie in het algemeen, communicatie bij dieren, communicatie in het algemeen: allemaal interesses. En ik interesseer me voor de maatschappij, ook weer in verband met autisme: wat is er zo verkeerd aan hoe de samenleving functioneert?
En dat is nog maar een klein gedeelte van mijn interesses. Ze liggen ook niet ver uit elkaar, maar houden vaak juist verband met elkaar.
Interesses komen en gaan en blijven toch altijd een beetje: het is een soort golfslag. Heel lang hadden programmeertalen mijn interesse, en ‘goed’, ‘mooi’ programmeren. Dat ging over in doceren: hoe doceer je goed ontwerpen en programmeren? Motorrijden, hoe bochten rijden precies werkt, had mijn interesse, en door de vakanties die we op de motor deden kreeg ook Spanje mijn interesse, met dat prachtige Moorse verleden. Vandaar ook een van mijn interesses op dit moment: huizen in Spanje. Morele standpunten over van alles en nog wat hebben mijn interesse, David Graeber en alles wat hij geschreven heeft, is een interesse van mij.
Het kenmerkende bij mijn interesses is niet dat het er slechts een beperkt aantal zijn (integendeel), maar dat ik ze zo intensief uitleef (‘moet’ uitleven’, zou ik bijna zeggen). Als ik me voor honden interesseer, lees ik werkelijk alles wat ik te pakken krijgen kan. Ik duik in al dat soort dingen helemaal de diepte in.
Niet goed kunnen schakelen (dat herken ik maar al te goed) associeer ik dan ook niet met interesses. Als Ernst vlak voor we de honden gaan uitlaten zou vragen: ‘Zullen we met de auto naar X, en daar gaan wandelen?’, schiet ik op slot. Dat heeft niets met interesses te maken, maar met het plotselinge, het niet kunnen voorbereiden.
Voor mij geldt de theorie dus niet op de manier waarop hij gepresenteerd wordt.
Het precieze brein

De theorie van het precieze brein is gebaseerd op de manier waarop waarnemen werkt. Het is niet zo, zoals velen denken, dat de buitenwereld binnenkomt via je zintuigen, en dan in de hersenen verwerkt worden, geïnterpreteerd, tot beelden en geluid (onder andere) met een betekenis. Het gaat eigenlijk meer andersom:
Je hersenen voorspellen op basis van wat ze al weten wat jouw waarnemingen zijn (je neemt dus het beeld waar dat je brein je voorspiegelt). De informatie die via de zintuigen binnenkomt hoeft dan alleen nog maar vergeleken te worden met het ‘verzinsel’, de ‘hypothese’, van je brein.
Bij autisme hoort een ‘precies’ brein: een brein dat veel méér afwijkingen van die hypothese relevant vindt dan een ‘slordig’ brein, dat de meeste mensen hebben. Al die afwijkingen worden naar je bewustzijn gestuurd (waarnemen gebeurt verder geheel onbewust). Je bewustzijn ‘moet’ er dan iets mee: over nadenken, in de werkelijkheid ingrijpen (pennen recht leggen), of iets leren.
Voor wie een uitleg met beelden wil: https://www.sylviastuurman.nl/blog/2025/01/het-voorspellende-brein-en-autisme/
Het precieze brein en monotropisme

Vanuit de theorie van het precieze brein kun je goed bedenken hoe die ‘speciale interesses’ tot stand komen: dat zijn een paar gebieden waarin je alles tot in de puntjes kunt uitzoeken, tot alles ‘klopt’. Je daarin terugtrekken geeft je als het ware vakantie van al die voortdurende afwijkingen van de voorspelling die tot je bewustzijn doordringen: even niet over alles hoeven na te denken (‘Hoe komt het dat jonge blaadjes bijna geel zijn? Hoe komt het überhaupt dat bladeren zo verschillend gekleurd zijn?’, enzovoort, enzovoort).
Dat je moeite hebt met schakelen is ook heel goed verklaarbaar: je brein heeft tijd nodig om een gedetailleerd ‘beeld’ van de volgende situatie op te leveren, omdat je precieze brein zoveel details inkleurt.
Niet goed kunnen schakelen betekent dat je met slechts één ding tegelijk bezig kunt zijn, want multitasken is niets anders dan heel snel tussen verschillende taken heen en weer switchen.
De theorie van het precieze brein komt dus tot dezelfde conclusies als die van het monotropisme, maar via een andere weg. Een precies brein zoekt interesses om te ontsnappen aan alle details die steeds je aandacht vergen, terwijl die interesses het uitgangspunt zijn bij het monotropisme.
Wat heb je er aan?
Misschien herken jij je wel in die ‘enkele’, zeer verschillende interesses, en heeft bij jou schakelen wel te maken met die interesses. In dat geval heb je aan de theorie van de monotropisme iets dat precies bij je past.
Maar ook wanneer het bij jou net is zoals bij mij, kan het je toch helpen. Wanneer je monotropisme onthoudt als ‘in hoge mate slechts één ding tegelijk kunnen doen‘, zal dat, neem ik aan, heel goed herkenbaar zijn. Dat kun je ook wel vanuit de precieze brein theorie beredeneren, maar zo geformuleerd is het gewoon gemakkelijker te onthouden en te herkennen.
Met monotropisme op die manier bekeken kun je heel veel begrijpen. Ik geef een paar voorbeelden.
Tijd

Bij mij is het zo dat ik grote problemen heb met afspraken. Staat er méér dan één op een dag in mijn agenda, dan raak ik in paniek. Ik kan niet tegelijkertijd de tijd in de gaten houden en iets anders doen, dus om op tijd te kunnen komen kan ik vóór een afspraak niets anders doen dan d=steeds te kijken hoe laat het is. Daar komt het ongeveer op neer.
Dat is heel goed verklaarbaar met dat ‘in extreme mate slechts één ding tegelijk kunnen doen’ van het monotropisme.
Het helpt je natuurlijk op zich niet, maar het verklaart wel waarom jij (als je dat ook hebt) zulke problemen met afspraken hebt waar dat voor anderen zo gemakkelijk lijkt. Elektronische agenda’s en telefoons die je op tijd kunnen waarschuwen schelen natuurlijk al veel.
Gesprekken

Een gesprek bevat meestal een tweede, impliciete gesprek. Wanneer je een collega vraagt: ‘En, hoe was je vakantie?’, betekent dat vaak niet dat je echt benieuwd bent naar alle details van die vakantie. Je laat impliciet weten dat je je herinnert dat je collega op vakantie was, en dat je belangstelling voor haar hebt. Expliciet stel je een vraag over die vakantie: dat is het onderwerp. Het impliciete gesprek gaat over de onderlinge relatie.
Monotropisme kan je hierbij laten zien dat je je maar op één ding tegelijk kunt richten: die vakantie (het onderwerp) of die onderlinge relatie.
Het kan goed zo zijn dat je je als het ware specialiseert in die onderlinge relatie. Je gedachten kunnen dan niet tegelijkertijd bij die vakantie zijn.
Het kan ook zijn dat je de hele vakantie van begin tot eind gaat beschrijven. In dat geval richt je je op het expliciete onderwerp.
En verder?
Als je merkt dat iets dat anderen kennelijk heel makkelijk doen, voor jou lastig is, kun je kijken of je het kunt verklaren met dat ‘in hoge mate slechts één ding tegelijk kunnen doen’.
Daarmee kun je nog steeds niet méér dingen tegelijk, maar het helpt om et een beetje te kunnen duiden.