Tenere en schuilhut
Schuilhut bij de Laguna de Gallocanta

Zaragoza- Monasterio de Piedra

We vertrekken uit Zaragoza over een lange rechte weg. Pas in de buurt van Daroca komt daar verandering in.

We lunchen bij de Laguna de Gallocanta, en rijden er omheen, om vogels te kijken.

Tenslotte rijden we verder, en komen aan bij het Monasterio de Piedra, waar we eten en overnachten.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

maandag, 4 mei 2009

De motoren hebben al die tijd vastgebonden gestaan aan een lantarenpaal, op een soort voetgangersbrug.

Dat schijnt de gewoonte te zijn hier: er staan allerlei scooters en motoren. Die van ons zijn de enige die vast staan.

Ik geloof dat Nederland inderdaad een van de landen is waar je de grootste kans loopt je motor kwijt te raken.

Op de meeste plekken in Spanje is het eigenlijk niet eens nodig 'm op slot te zetten; toch zorgen we er altijd voor dat ze ergens veilig staan: aan elkaar vast, en liefst ook nog aan iets anders, en het allermooist is natuurlijk ergens onderdak.

 

Als Ernst de motoren naast het hotel gezet heeft en de bagage ophaalt terwijl ik mag wachten, komt er een jongen bij me staan: "Zijn jullie helemaal uit Nederland gekomen?", in het Nederlands.

Hij komt uit Algerije, vertrelt hij, en heeft een poos in Nederland gewoond. Hij woont nu hier.

Hij werkt als loodgieter in het hotel: Ernst legt hem meteen het probleem van het bad in kamer 223 uit.

Hier een portret van hem, in de lobby van het hotel.

 

We steken het voetgangersgebied over. Ik zie op het laatste moment de trappen voor me. Je ziet ze hier rechts van de opgestapelde stoelen. Ik rij rechtsom via de doorgang voor rolstoelers.

Ernst kiest uiteraard voor de trap, ongetwijfeld tot groot genoegen van de mannen die staan te kijken naar ons vertrek.

 

Op de Becker rijden we de stad uit. Ideaal: dit is toch wel ongelofelijk veel gemakkelijker dan op de kaart je weg uit een stad vinden.

Dit ziet er uit als een nieuwe wijk, die ik goed in elkaar gezet vind. Spanjaarden kunnen dat wel.

 

Vanuit Zaragoza komen we terecht op de N330. Een lange rechte weg.

Eerst is hij nog wel leuk, omdat er aan weerszijden een aaneenschakeling is van "zaakjes", zoals hier links: in containers gehuisveste kleine onderneminkjes. Alsof het een langgerekte straat in een Western stadje is.

De namen van deze door kleinschalige meubelboulevards gevormde voorstadjes passen daar wel bij: Santa Fe bijvoorbeeld.

 

De weg is erg lang, en erg recht. Het landschap om ons heen is erg vlak, en erg droog.

Parallel aan deze weg ligt een snelweg, waar we af en toe wat beelden van opvangen. De snelweg is ook niet druk, maar er rijdt wel meer verkeer dan op onze weg: op deze weg ben je vrijwel de enige.

Zo af en toe een plaatsje onderweg is dan ook een welkome afwisseling.

Hier is Longares, en de kerk die je ziet is de Iglesia de Nuestra Señora de la Asuncion.

We worden om het plaatsje heen geleid, en dat betekent dat we eindelijk weer een paar bochten mogen rijden.

 

Ongelofelijk maar waar: na verloop van tijd verschijnen er in deze droge vlakte steeds meer akkers met druiven.

In de verte zie je trouwens de snelweg.

Enorme velden met druiven: hier wordt een enorme hoeveelheid wijn geproduceerd.

 

Nadat we eindeloos over die lange rechte weg hebben gereden, en tenslotte eindeloos naar die wijnvelden hebben gekeken, rijden we Cariñena binnen.

Het eerste gebouw dat je dan tegenkomt heet Monasterio de las Viñas. Wanneer je opzoekt wat dat is, blijkt het een merk wijn te zijn. Je kunt in dit gebouw wijn proeven, wijn uitkiezen, en vooral wijn kopen.

 

Overal in Cariñena zie je plekken waar je wijn kunt proeven en kunt kopen.

Hier zie je een "Venta de Vino de calidad". Als ik het goed heb begrepen is dat een soort van kwaliteitsaanduiding, net zo iets als "Appellation controlé", maar dan een tandje minder. Of zoiets.

Dankzij die wijnverkoop zijn hier ook overal bars, asadores (restaurants met als specialiteit grillen en overgerechten), en mesons (gewone restaurants) en wat voor variatie je je ook maar kunt indenken.

Het is alleen nog lang geen tijd om te lunchen...

 

De wijnproducenten blinken vooral uit in het neerzetten van spuuglelijke gebouwen om klanten voor hun wijn te lokken.

Dit is wel een mooi voorbeeld. Ik heb niet eens de indruk dat hier echt tanks staan: het lijkt er meer op dat ze zijn nagebouwd. Maar misschien zijn het ook echte wijntanks.

Het doet mij (ben in de buurt van Pernis opgegroeid) in ieder geval meer denken aan zo'n tank voor de petrochemische industrie, dan aan een lekkere fles wijn.

 

Helaas is de weg na Cariñena weer recht, en lang...

Maar er zitten deze keer wat hobbels in, en nog beter: aan het einde is de verlossing zichtbaar, in de vorm van bergen. Bergen, dat betekent bochten, dat kan niet anders!

 

Na lange, lange tijd zijn we er, bij die bergen, en ze stellen niet teleur.

Als je zo lang rechtuit hebt gekregen dat alles je pijn doet, doordat je uren in dezelfde houding hebt gezeten op je motor, dan is het onvoorstelbaar lekker als je bochten kunt rijden.

In de verte zie je het viaduct van de snelweg, die ons daar kruist.

 

Helaas, helaas!

Dit wegrestaurant staat op de perfecte plek: enorme uitzichten, en na een geweldige serie bochten na zo'n eindeloos lange rechte weg. Hier hadden we graag even gepauzeerd, om dat stuk in de bergen te rekken, om het uitzicht te bekijken, en een kop koffie te drinken.

Maar de nieuwe snelweg, parallel aan deze N330, heeft alle bedrijvigheid langs de weg kapotgemaakt. Het restaurant doet het niet meer; je kunt hier nu alleen nog gebruik maken van de onpersoonlijke afzetterij langs de snelweg...

 

We zijn de Sierra de Algairen overgestoken, en we zijn nu van de wijnproductie op de hammenproductie overgegaan, qua economie, blijkt.

Hier, langs de weg, een Secadero de Jamones al Natural: een natuurlijke hammendrogerij.

En dit vind ik een van de meest plezierige aspecten van Spanje: dit kan hier. Dit is een doorgaande weg. Er zit niemand op de uitkijk. Die hammen zijn per stuk een fortuin waard. En het kan! Er zijn hier blijkbaar geen klootzakken die misbruik van zo'n vertrouwen maken; althans, zo weinig dat niemand er last van heeft.

Want zeg nou zelf, in Nederland zouden die hammen binnen een paar uur allemaal verdwenen zijn...

 

Als we aan komen rijden kunnen we zien dat Daroca een muur om zich heen heeft. Het is geheel ommuurd zelfs.

Daroca werd al door de Kelt-Iberiƫrs bewoond, en de Romeinen hadden hier al een fort. De Moren hebben er 400 jaar gezeten, en toen het veroverd werd door de Katholieken, is de muur gebouwd.

Je rijdt dus altijd via een poort de stad binnen. Dit is de Puerta Alta.

Dat Romeinse fort is verdwenen, maar er zijn wel ruïnes van een Middeleeuws kasteel. We kregen het niet echt goed zicht op: geen foto dus.

We zijn wel toe aan een pauze, lijkt me. Ik weet dat Daroca een bijzonder stadje is, en het lijkt me wel leuk om hier op een terrasje eventjes deel van Daroca uit te kunnen maken.

 

We rijden binnen via de Calle Mayor, de hoofdstraat.

Maar wonderlijk genoeg is er geen enkele bar te bekennen, geen café, en al helemaal geen terrasje!

Heel vreemd is dat, want Daroca is flink toeristisch, met sjieke hotels en restaurants. Maar blijkbaar is maandag niet echt de dag om even wat te gaan drinken, of je krantje te lezen op een terras, in Daroca.

 

Daroca ligt op een bergrug: zowel voor als na Daroca rijden we dus door de bergen.

Er staat brem in bloei, er zijn bochten, en er zijn uitzichten. Heerlijk!

 

Maar helaas, het is geen al te brede bergrug. Niet veel later rijden we weer over zo'n eindeloze rechte weg.

Ik ben verantwoordelijk voor de route, en gebaar dus: "Sorry!".

 

Ik ben dan ook heel erg blij als de Becker aangeeft dat we naar links mogen, bij de eerste gelegenheid.

Dat verlost ons van een enorm lang stuk weg!

Het weggetje dat we nu indraaien is weliswaar geen bochtenparadijs, maar glooit heel plezierig, en dat weet je nogal te waarderen, zal ik maar zeggen, na zo'n lange rechte weg voor je.

 

Het duurt niet lang voor we Gallocanta binnenrijden. Een dorpje in de noordoosthoek van de Laguna de Gallocanta, die ik wil verkennen.

We rijden hier langs de Iglesia Parroquial de San Pedro Apostol, die natuurlijk alleen al vanwege z'n naam de moeite waard is.

 

En in dit dorpje vind ik, in tegenstelling tot in Daroca, wel een terrasje.

Het is koud vandaag: we zijn nogal verkleumd geraakt. Er zijn plekken in de zon beschikbaar.

Het besluit is gemakkelijk genomen: we stappen af, en gaan hier pauze houden.

 

We zitten daar heerlijk, in de zon, met ons kopje koffie.

Ik heb het vogelboekje uit m'n tanktas gehaald: de Laguna de Gallocanta is vooral beroemd vanwege de Kraanvogels die hier elk voorjaar en elk najaar neerstrijken (ik geloof dat er zelfs overwinterd wordt), maar die zullen we nu niet vinden: die zijn al naar het noorden vertrokken.

Maar de Laguna is niet alleen aantrekkelijk voor Kraanvogels: er zitten veel eenden, veel waadvogels, en vooral: Grote Trappen!

Ik heb niet de illusie dat we die zullen zien: we zijn in Spanje al vaak door streken gereden waar ze broeden, en ik weet dat je ze, hoewel ze heel erg groot zijn (ze hebben een vleugelspanwijdte van tussen de 2,1 en 2.4 meter), niet gauw te zien zult krijgen. Het is meer een leuk idee dat ze hier zitten.

Af en toe vliegt er een Vale Gier over. Het meer is in de verte te zien, maar het is te ver weg om vogels te kunnen kijken.

 

Als we zijn opgewarmd is het half twee, en kunnen we net zo goed in de comedor gaan eten.

We zijn hier bij de Allocant. HIj heeft kamers, een restaurant, een "tienda" ( winkel met allerlei Laguna de Gallocanta-memorabilia), hij organiseert cursussen en excursies, zoals deze, met Segways.

Ook hier weer besef ik, dat we gewoon ter plekke hadden moeten besluiten om hier een nachtje te blijven: dit is een erg leuke plek. Ik neem me dan nu in ieder geval voor om dat een volgende keer als we in de buurt zijn te doen!

 

De keuzen voor het menu worden hier zoals vaker in Spanje opgezegd, maar de herberhier kent Engels! Hij wil graag z'n Engels oefenen, dus we spreken af dat hij Engels spreekt, en wij Spaans.

Het eten is precies zoals past bij een Spaanse comedor: simpel, erg lekker, en goedkoop.

We bestellen een grote fles water, en nemen allebei één glas rode wijn erbij.

We zijn helemaal per ongeluk op een bijzonder aangenaam plekje aangekomen.

 

Hier zie je de eetzaal, en onze gastheer.

Er zijn een aantal werklui aan het eten (terwijl we aan het eten zijn komen er ook families binnen), en die spreken een Romaanse taal die geen Spaans is. Portugees denk ik eerst, maar vooral de man met een Che Guevara T-shirt klinkt anders.

We vragen hem even later of hij "Romanescu" is, Roemeen. Zijn gezicht begint te stralen: ja, dat is hij inderdaad, een Roma uit Roemenië. Als hij een poosje later wegggaat klopt hij nog even op het raam om afscheid te nemen.

 

Vanaf onze tafel hebben we uitzicht op onze motoren.

Daar achter kun je het blauw zien van het meer, de Laguna de Gallocanta.

Ideaal hier: geen gesjouw met helmen en tanktassen: je kunt gewoon alles op de motor laten.

 

Tenslotte is het tijd om op te stappen.

Ja, we hadden hier gewoon moeten blijven. We zullen hier een keer overnachten, dat beloof ik mezelf!

 

De weg die om het meer heen loopt, brengt ons eerst een heel eind van het meer vandaan.

Je kunt onderweg dan ook niets van dat meer zien. Hier rijden we langs Berrueco.

 

Een stukje verder krijgen we dan weer wel het water te zien.

Ik vind het altijd weer moeilijk: thuis vind je in boeken of on-line informatie over zo'n vogelparadijs, en je denkt dan dat de weg zichzelf wel zal wijzen als je er eenmaal bent. Maar in de praktijk valt dat nogal tegen.

Hier zijn we voortdurend veel te ver weg van dat meer om iets te zien te krijgen: er zullen ongetwijfeld allerlei eenden en steltlopers te zien zijn, maar van zo'n afstand zie je met een verrekijker niets.

We hebben een manier nodig om dichterbij dat meer te komen. Ik had gehoopt dat overal keurig bordjes zouden staan naar schuilhutten en uitkijkpunten, maar dat is, zoals zo vaak, niet bepaald het geval.

Een beetje gedesillusioneerd rij ik door.

Na verloop van tijd zie een paar keer een onverhard pad in de richting van het meer, maar ik ben op de een of andere manier te moe en besluiteloos geworden om voor zo'n pad te kiezen.

Ernst komt naast me rijden, om me er op te attenderen dat ik toch van plan moet zijn geweest om dat meer te bekijken.

 

Hier zijn we in Torros.

Een stuk verder vinden we dan toch een informatiebord, en daarop is te zien dat we in het volgende dorp, Bello, een pad kunnen nemen dat ons dichter naar de Laguna zal brengen.

 

En verdomd, in Bello staat inderdaad een wegwijzer naar die route.

En zo rijden we even later onverhard, op weg naar het meer.

Het is vrij vlak, en goed te doen. Overal duiken vogeltjes op.

 

Onderweg komen we nog een kudde schapen met schaapherder tegen. Waar je ook bent, in Spanje, je bent er nooit helemaal alleen, zo lijkt het wel.

 

Ernst rijdt voorop, zodat ik meer tijd heb om om me heen te kijken. Dat is niet overal even goed mogelijk: de weg zelf vraagt van tijd tot tijd ook m'n aandacht.

 

Maar ik zie ook van alles. Heel veel Gele kwikstaarten bijvoorbeeld, en een Klapekster.

Dan zie ik twee enorme vogels opvliegen, met zwart-witte vleugels: Grote Trappen!

Ik stop en pak de kijker, en ook Ernst stopt. We zien twee vrouwtjes, en een stukje dichterbij twee mannetjes die zijn neergestreken.

De mannetjes lopen met kaarsrechte hals met opgezette veren, en af en toe steken ze ook hun staart omhoog, helemaal zoals op de plaatjes. Ze lopen met z'n tweeën nog even langs een stel Kraaien om te laten zien hoe enorm groot ze zijn (1 meter lengte, spanwijdte bijna 2,5 meter).

Dit is echt heel bijzonder!

 

Een stuk verderop is een uitkijktoren, waar we een kleine pauze houden.

Het waait hard, en het is behoorlijk koud, maar we hebben vanuit die toern uitzicht op het meer, met een Kleine Zilverreiger, Kieviten, Groenpootruiters, Kokmeeuwen, Bergeenden, Wilde Eenden, en allerlei eenden en steltlopers die ik zo gauw niet thuis kan brengen.

 

Ook in het rite vliegt en zingt van alles. De enige die we echt goed konden herkennen was deze Bruine Kiekendief.

We horen Baardmannetjes, maar die krijgen we niet te zien.

We nemen hier onze tijd, om na te genieten van die Grote Trappen. Ik had echt nooit gedacht dat we die te zien zouden krijgen!

 

We komen in Las Cuerlas weer in de bewoonde wereld.

Aan de wilgen hier kun je zien dat de hele omgeving van de Laguna vaak drassig is: het lijkt wel Nederland!

Je ziet hier links achter me ook nog de roze-paarse borden die je keurig naar het meer wijzen: het was heel onterecht van mij dat ik zo wanhoopte of we hier nog iets te zien zouden krijgen!

 

En dan rijden we weer over een lange rechte weg....

Dat is ons lot vandaag, en dan zijn we nog niet eens in de Extremadura!

Het allervervelendste van lange rechte wegen vind ik dat ik het dan niet kan laten om steeds te kijken hoeveel kilometer we al hebben afgelegd. Ik spreek dan met mezelf af dat ik moet proberen om niet binnen de 5 kilometer weer op de teller te kijken, maar dat lukt niet altijd: het valt altijd tegen.

De tijd doden, of de kilometers doden, zo zou je het kunnen noemen, en dat vind ik gewoon verschrikkelijk zonde. Maar het is erg moeilijk om van jezelf gedaan te krijgen dat je het niet op die manier beleeft...

 

We rijden langs nog een Laguna, de Laguna de Zaida, waar in de Kraanvogeltijd ook Kraanvogels te zien zijn, maar waar we nu geen enkele vogel konden ontdekken.

Na verloop van tijd komen we bij Cubel, een welkome afwisseling.

 

En na Cubel krijgen we bergen, en bochten!

 

We rijden nu, godzijdank min of meer glooiiend, steeds door, en komen tenslotte dit stuwmeer tegen, het Embalse de la Tranquera.

We zijn dan net vanaf de A2506 linksaf geslagen, de A202 op.

 

Die A202 is, voor wat betreft het stuk dat we hebben gereden, in ruime mate voorzien van bochten.

We hebben dit echt wel nodig, na deze dag vol lange rechte stukken!

 

Rotsen, en zeker gekleurde rotsen, zijn een verademing na die enorme vlaktes!

 

Dan rijden we langs Nuevalos, en ik weet dat onze eindbestemming voor vandaag dichtbij is.

 

Na Nuevalos klimt de A202 omhoog. De rotsen krijgen vreemde kleuren.

 

We komen langs een aantal hostals die er eigenlijk erg leuk uitzien.

Ik heb voor deze vakantie van te voren, langs de route, een aantal plekjes uitgezocht om te overnachten, die er leuk uit leken te zien. Meer dan nodig: zo kunnen we altijd besluiten om door te rijden of te stoppen.

Hier vlakbij ligt een tot hotel omgebouwd klooster, met een tuin vol watervallen. Die wil ik erg graag zien, vooral die watervallen.

Deze hostals, op een plek waar verder niets te beleven is, laten zien dat die watervallen inderdaad een behoorlijke bezoekersstroom aantrekken.

Ik wil in ieder geval die watervallen bekijken. Of we dan in een van deze hostals, of in dat Monasterio gaan overnachten zien we wel.

 

Er volgen een paar haarspelden, om omhoog te klimmen. De eerste haarspelden van vandaag!

 

Als je bovenop bent gekomen heb je een grandioos uitzicht over Nuevalos en het stuwmeer.

Het is bovendien nog niet echt laat, terwijl ik weet dat we vlakbij ons einddoel zijn. Vandaag zal mijn doel van een vakantie van kalm-aan doen dan toch echt gehaald worden.

 

Als we verder rijden zie je al de kloven in het landschap, waarin de watervallen van het Monasterio de Piedra zich bevinden.

Wij rijden nu boven dat waterval-landschap.

Als je goed kijkt kun je zelfs het klooster al zien liggen.

 

Dan is er een bordje dat je rechtsaf kunt voor het Monasterio. Na een kort stukje komen we aan op een terrein met een aantal gebouwen.

Er is een restaurant, een park en een hotel, ontdekken we na wat speurtochten. We zetten de motoren neer. Het park is tot 18.45 open, en het is nu 18.15 uur; het kost 12,50 euro pp: een beetje duur voor een half uurtje!

We gaan kijken wat het hotel kost. Het is een beetje boven de begroting, maar het is wel inclusief desayuno, toegang tot het park en toegang tot het monasterio; we doen het, en gaan zelfs voor de iets duurdere optie, met terras.

 

En zo zit ik hier te typen op ons terras, met het geluid van stromend water en vogels, en af en toe vliegt er een Gier voorbij.

Morgenochtend mogen we tot 2 uur gebruik maken van onze gratis toegang tot het park, en vanavond kunnen we lekker wat drinken en een hapje eten in de bar. Rust! Vakantie!

In de bar, waar we een glaasje gaan drinken, staat een uiterst verveelde jonge Spanjaard, die de daar aanwezige stoelen tot op de millimeter precies goed zet, en daarna nogmaals.

We drinker er een glas wijn, en dwalen dan door het klooster.

Dit is de centrale hal, en je kunt hier goed zien dat het een rijk klooster was.

 

Dit is het claustro van het monasterio: de binnenplaats.

Monasterio's, kloosters, hebben vaak een nogal ingewikkelde geschiedenis. Ze zijn soms vol idealsime opgericht, om in alle rust goede werken te doen, in de geest van Jezus. Maar erg vaak bleek in de praktijk dat het nogal lucratief was om een klooster te beheren, en werden kloosters stinkend rijk, ten koste van de mensen uit de omgeving.

Wat de geschiedenis van dit klooster precies is weet ik niet; maar het is wel zo dat je in "gewone-mensen-kerken" een veel overtuigender beeld krijgt van wat geloof voor mensen betekent dan in kloosters.

Dit klooster roept op geen enkele manier op wat het geloof voor mensen betekent, maar wat wel mooi is, zoals in elk klooster, is de binnentuin, het claustro, die elk klooster heeft.

Een tuin, aan vier kanten ommuurd, met galerijen om er omheen te kunnen lopen. Zelfs al is er nauwelijks iets van zo'n tuin over; de sfeer blijft er toch hangen: verstild, ccontemplatief.

 

Het was natuurlijk een leuke verrassing toen we een hoekje om liepen, dwalend door het klooster, en deze Royal Enield tegenkwamen.

 

De kaart die erbij hangt maakt duidelijk waarom: iemand is er mee van Kathamndu naar het Monasterio de Piedra gereden.

Er wordt niet duidelijk wie dat is geweest: de man die dit monasterio verbouwd heeft tot hotel? Een vriend van hem? Een gast die hier ooit was? Geen idee.

 

Dit is de gang die naar onze kamer leidt. Die van ons ligt aan de rechterkant: daar zit de buitenkant van het gebouw, en daar hebben we een balkon dat over het park er achter uitkijkt (we kunnen niets zien van de watervallen).

Vroeger lagen de cellen van de monniken aan deze gang: die zijn tot kamers verbouwd.

 

Op onze zwerftocht komen we bij het claustro aan. Dit is zo'n galerijgang aan de zijkant ervan.

Vroeger waren hier waarschijnlijk schilderijen, en fresco's, maar zo kaal heeft het eigenlijk wel wat. Ze konden wel bouwen, die monniken...

 

Als we over het terrein van het klooster dwalen, zien we deze rots, beschenen door de ondergaande zon.

Dir rots ligt aan de overkant van de kom die door rotsen wordt gevormd, en waarin het park ligt, met watervallen, van het klooster.

 

Het klooster zelf doet het ook erg goed in het licht van de ondergaande zon.

De kleur wordt warmer, als honing.

 

In een van de kloostergangen ontdekken we dit. Hier is niet alles kaal: er zijn nog resten van fresco's.

Het hele plafond is beschilderd, en in de hoek staat een beeld met allerlei schilderingen er omheen.

Ook de zuilen zelf zijn heel erg versierd: gedraaid, en met snijwerk.

 

Om de hoek zien we nog dit: een boog, waar ooit een opening zat, dichtgemetseld, en daar op iets wat of resten zijn van iets dat er gezeten heeft, of een beginnetje van een restauratie, of beide.

Je kunt rondleidingen krijgen door het klooster, en dan krijg je misschien te horen hoe het precies zit. Wij vinden het leuker om alles op eigen houtje te ontdekken.

 

Deze ruimte heet, zie ik later op de website van het monasterion, de Sala Capitular, en als ik het goed heb begrepen, was dit de ruimte waar monniken ten overstaan van de anderen hun zonden moesten opbiechten, en dan straffen kregen in de vorm van zelfkastijding en dergelijke.

Je kunt zien dat de zuilen helemaal beschilderd waren. Zonde om die ruimte voor zoiets te gebruiken!

Er waren ook een paar ruimtes waar we niet in konden: het monasterio huist ook nog een wijnmuseum en een chocolademuseum, en die waren, uiteraard, gesloten.

 

Van de kerk resten alleen nog wat stukken muur, en de omlijsting van de deur.

Het doet het erg goed, in het avondlicht!

 

Er wordt nog hard gewerkt aan allerlei gebouwen. Ik ben benieuwd naar de plannen, hoe dit alles rendabel te krijgen. De combinatie hotel, restaurants en park lijkt me in ieder geval een goeie. Misschien heeft de eigenaar nog meer faciliteiten in z'n hoofd. Ik hoop dat de crisis hier niet al te zeer een stokje voor steekt!

Het is natuurlijk het allermooist, als ruïnes van monumenten op deze manier gerestaureerd kunnen worden, en geëxploiteerd. Iedereen kan er weer van genieten, en als je het voor een beetje acceptabele prijzen draaiende kunt houden, is er een gebouw in ere hersteld.

Achteraan zie je een aantal nieuwe huizen. Voor mensen die hier werken, misschien, of misschien ook een manier om de exploitatie aan te kunnen.

 

We eten in het restaurant. Het is er chique maar mooi, en het eten is erg lekker.

 

We zijn de laatsten die weggaan. Het was niet echt druk, maar gezellig genoeg.

Doordat we de laatsten zijn kan Ernst een foto nemen van de lege eetzaal. Een erg mooie ruimte!

We lopen door de riante gangen naar onze riante kamer, gaan nog even van ons riante terras genieten, en vallen dan in ons riante bed in slaap.

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: