Tenere op bergweg
Op de Puerto de la Morcuera

Monasterio de Piedra - Rascafria

We bekijken het park, met watervallen, van het Monasterio de Piedra uitgebreid.

Dan gaan we op weg, rijden Castilla la Mancha binnen, en komen in het gebied van de Alto Tajo, met kloven zoals de Hoz de Beteta.

Nadat we de brede N320 een poos hebben gevolgd, komen we tenslotte, als het donker wordt, op een erg mooi weggetje over de Puerto de la Morcuera terecht, en we vinden een hotel vlak voor Rascafria.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

dinsdag, 5 mei 2009

Het ontbijt is in dezelfde eetzaal als waar we gisteren ons avondeten kregen. Het is uitstekend.

Dan vragen we bij de receptie ons gratis kaartje voor het park. Wanneer je daar via dit houten hekje naar binnen gaat zie je het monasterio van de achterkant: een van deze bogen waarachter een balkon zit, is het balkon van onze kamer.

 

Het park van het Monasterio de Piedra is groot. Er is een mooie on-line plattegrond die één en ander laat zien.

De rivier de Piedra vormt hier een enorme hoeveelheid watervallen, en daar is een park omheen gebouwd, met een uitgezette route, houten bruggetjes en paden.

Dit is de Cascada Trinidad.

 

Het is erg rustig, wat het extra leuk maakt. Het enige geluid dat we horen komt van vogels, als je niet in de buurt bent van een waterval, en van het water, als je er dichtbij staat, zoals hier.

 

Sommige watervallen storten zich vanaf grote hoogte naar beneden, en op andere plekken zijn het kleintjes.

 

Je klimt en daalt hier voortdurend: die watervallen zijn, uiteraard, het gevolg van grote hoogteverschillen.

Soms klim je via trappetjes. Hier kom je dan uit bij een uitkijkpunt, een mirador, waar je van achter een houten relinkje kunt kijken naar een enorm hoge waterval die zich de diepte in stort.

In de rotsen broeden Holenduiven. In de meren en riviertjes zien we forellen, kikkers, een Waterspreeuw en heel veel Gele Kwikstaarten.

 

Het park is erg leuk ingericht, met informatieborden bij elk punt op de route door het park (alleen in het Spaans).

Hier worden we geestelijk voorbereid op een afdaling in de grot, de Gruta Iris.

 

Ik heb niet alleen last van hoogtevrees (erg lastig als er alleen zo'n lullig houten relinkje zit tussen jou en de afgrond), maar ben ook behoorlijk claustrofobisch.

Ik heb dan ook een aantal diepe zuchten moeten slaken voor ik mezelf zo ver kreeg om me door deze opening te wurmen, en de grot in te dalen.

 

Maar het was de moeite waard. Eenmaal beneden aangekomen (heel veel traptredes van steile trappetjes die in haarspelden liepen), zie je de ondergrondse rivier stromen, vlak voor een opening in de rots.

Het licht valt op de rivier, en kleurt hem blauw, en je loopt er langs via een houten vlonder.

Het zonlicht vormt z'n eigen waterval, zo lijkt het.

 

En als je dan verder loopt, over die kletsnatte vlonder, zie je om de hoek de achterkant van de waterval.

Het is een overdonderend geluid en een overdonderend gezicht.

 

Aan de andere kant lopen we door een lange gang in de rots voor we er weer uitkomen.

Ik heb geen enkel gevoel meer voor waar we ons in dat park bevinden, nu.

 

Dit is de Cascada de los Chorreadoros.

We maken de gehele wandeling af: het is een erg aangenaam park.

Langzamerhand verschijnen er meer mensen. Dit is een daguitstapje bij uitstek voor Madrileners: het is maar goed dat we hier niet in het weekend zijn.

 

Als we teruglopen is er bij het begin van het park net een Roofvogelshow afgelopen.

De vogels worden teruggebracht naar hun plekken: paaltjes waarop ze worden neergezet, waar je ze kunt bekijken zonder hek er tussen.

Dit is een Zwarte Wouw.

 

Hier een Slechtvalk, en ik vind het toch wel erg spectaculair om hem van zo dichtbij te kunnen bekijken.

 

Ik heb het nagezocht, en dit is waarschijnlijk de White-faced Scops Owl, Otus leucotis.

Het was een prachtig beestje, zoals je ziet.

Op de achtergrond twee Kerkuilen.

 

Dan vertrekken we, via de A202 naar het zuiden. Het is een erg mooi weggetje hier.

We steken even later de Rio Piedra over, die verantwoordelijk is voor al het watervalgeweld.

Het park ligt hier rechts in de diepte.

 

Een stuk verder steken we de grens over tussen Aragon en Castilla la Mancha.

Zoals wel vaker gebeurt wanneer je Castilla la Mancha binnenrijdt, lijkt de weg meteen rechter te worden.

 

Maar gelukkig is het hier maar tijdelijk: de weg, die hier de CM210 heet, wordt al snel weer heel plezierig bochtig.

 

In de buurt van Rueda de la Sierra komen we een flink aantal van dit soort vrachtwagens tegen.

Eerst denk ik dat ze wijn vervoeren: Rueda is namelijk de naam van een Spaanse witte wijn.

Maar dat klopt niet: dat Rueda ligt een heel eind naar het westen, en heeft niets te maken met Rueda de la Sierra.

Het zijn, vertelt Ernst me, windmolens die hier vervoerd worden. Dat is nogal een logistieke gebeurtenis!

 

Terwijl ik zicht probeer te halen om deze vrachtwagen in te halen, zie ik voor me rechts de ruïne van een kasteel, en links daarvan muren met torens.

Het is het Castillo de Molina de Aragon.

Het is, hoe kan het ook anders, een kasteel dat gebouwd is door de Moren, in de 10de eeuw.

 

Hier zie je het grandioos tegen de helling liggen.

 

De naam van het stadje, Molina de Aragon, lijkt vreemd omdat we Aragon al lang uit zijn: we zitten in Castilla la Mancha. Maar Aragon was vroeger veel groter, en toen was Molina de Aragon een belangrijke plaats binnen dat Aragonses rijk.

De kerktoren hoort bij de kerk van een voormalig klooster, het convento de San Francisco. Bovenop de kerktoren geen haan maar een mannetje met puntmuts en een vleugel, lijkt het.

 

Als we Molina de Aragon uit rijden hebben we zicht op de Iglesia de San Gil, en op de achtergrond zie je dan het kasteel liggen.

 

Direct na Molina de Aragon blijkt dat we op een van de Rutas Turisticas van Castilla la Mancha zitten, El Alto Tajo.

Die heeft, in tegenstelling tot wat het bord doet vermoeden, niets te maken met Don Quichotte: de Don heeft z'n naam gegeven aan de eerste van die toeristische routes hier, en die is uiteraard wel aan hem gewijd. De andere routes hebben zijn afbeelding alleen maar geleend.

 

We rijden eerst een poos over de meseta. Het is vrij koud, en het waait behoorlijk: ik kan me goed voorstellen dat het hier in de winter echt heel erg koud is, midden in Spanje!

Maar niet lang daarna komen we in het gebied van de Alto Tajo (de hoge Taag): een groot natuurpark met kloven, bergketens en rivieren, waarvan de belangrijkste natuurlijk de Taag.

 

Dan is er een kloof, met een enorme afdaling: 13%, en het gaat maar door, en door en door.

 

We dalen af tot we ter hoogte van de rivier zijn, de Tajo, de Taag.

Je ziet hem hier links van de weg.

 

Het water is van een onwaarschijnlijke kleur groen. Erg mooi.

 

Er is een parkeerplaats met een informatiebord over het Parque natural del Alto Tajo, en er loopt een onverhard pad langs de Tajo, zo'n beetje in de richting waar we uit komen maar dan aan de andere kant van de rivier. Een bord naar een casa rural wijst die kant op. Dat lijkt ons een erg mooie plek voor een lunch, en ik ben intussen hard toe aan een lunch. Casa rural betekent meestal wel alleen maar een huisje dat te huur is, maar je weet het maar nooit.

En zo rijden we even later onverhard naar boven, met links naast ons, steeds meer in de diepte, dat helder-groene water van de Tajo.

 

Maar de Casa rural is inderdaad alleen maar een huis, een, op een kat na, totaal verlaten huis. Als ik het goed onthouden heb, was het het Casa del Salto.

 

Ernst klimt van daar nog naar de waterval die staat aangekondigd: de Tajo dendert hier woest naar beneden.

Ik ben een beetje te moe daarvoor, en biedt daarom maar aan op de helmen en de motoren te passen, beneden.

 

Het was een klauterpartij, naar die waterval, maar er waren deels traptredes gemaakt, met relinkje.

 

Als Ernst weer terug is stappen we op.

Hier kun je mooi zien dat dat nog geen eenvoudige klus is, voor mij.

En zo rijdens we diezelfde 5 kilometer weer onverhard naar beneden.

 

Aan het einde van het onverharde pad rij je dan weer de geasfalteerde brug over de rivier de Tajo over, en dan slaan we linksaf, verder over de CM210.

 

Die CM210 is hier op z'n mooist: de ene geweldige bocht na de andere!

 

Het is laat geworden, ondertussen, en ik ben heel hard toe aan een lunch.

We vinden tenslotte, als we Poveda de la Sierra zijn doorgereden, een restaurant, Albergue el Alto Tajo.

Het is een heel plezierig simpel restaurant, met een vriendelijke mevrouw. Maar helaas voor mij blijkt het voorgerecht van het dagmenu vooral uit vis te bestaan: ik probeer de slablaadjes en het ei er omheen te eten. En het hoofdgerecht is konijn of iets dergelijks: ook vrij onmogelijk voor mij om te eten. Ook het toetje blijkt niet echt lekker. Erg lastig, om zo'n moeilijke eter te zijn in Spanje!

De wijn is trouwens een witte Rueda, een wijn die we thuis altijd drinken. De Verdejo en de Verdejo-Viura zijn bijzonder aan te raden!

Hier krijg je dus een hele fles van zo'n lekkere wijn bijn een simpel dagmenu, met z'n tweeën.

 

Als we weer zijn opgestapt, baant de CM210 zich een eind verder een weg door de Hoz de Beteta, een erg mooie en uitgestrekte kloof.

 

Je rijdt hier langs canyon-wanden die loodrecht naast de weg staan.

Je ziet hier ook de cementwaen waar we al snel achter vast komen te zitten. De Hoz de Beteta biedt eigenlijk nergens ruimte voor inhalen: elke bocht is een blinde bocht, en zoals het een goede kloof betaamt zit hij vol met bochten.

 

Hier en daar is de weg door een stuk rots heen aangelegd, en rij je door een miniatuur-tunnel.

De cementwagen rijdt, gezien het feit dat hij een cementwagen is, flink door, daarbij bochten afstekend. Dat is wel een leuk gezicht, maar het verhindert nog eens extra dat we er langs kunnen.

Ik houd daarom tenslotte maar gewoon veel afstand, zodat we in ieder geval uitzicht hebben op iets anders dan een vrachtwagen.

 

Zodra de mogelijkheid zich voordoet nemen we daarom een zijweggetje.

Dit weggetje is smaller dan de CM210, en je kunt aan het wegdek zien dat de bergen hier een leven van zichzelf hebben: de weg scheurt aan alle kanten open.

 

Onderweg komen we nog dit voor mij onbekende beeld tegen, schoven van "iets". Riet, denken we op dat moment, voor rieten daken, denken we.

 

In Priego komen we terecht op het verlengde van de CM210, de CM 2023.

Op de site van Priego is te lezen dat het stadje bekend is vanwege z'n vlechtwerk van wilgen: hier worden sinds vele eeuwen wilgen manden gemaakt.

Wat we onderweg zagen waren dus geen rietschoven, voor daken, maar bij elkaar gebonden wilgentenen (de buigzame takken van wilgen noem je wilgentenen), voor manden.

 

Na Priego blijven we de CM2023 volgen, een aangename, bochtige weg.

We zitten hier in de uitlopers van de Serrania de Cuenca, en ik herinnerde me, ten onrechte, dat we van daaruit zo in de Sierra de Guadarrama zouden komen.

 

De weg is smal, en niet erg bergachtig, maar hij biedt wel verre uitzichten, over olijfbomenland.

Tussen deze mooie stukken met bochten en uitzichten zitten er ook ellenlange lange rechte gedeelten tussen.

 

Aan het einde van de CM2023 draaien we de wat bredere CM2015 op.

Het landschap is wat vlakker.

 

Tenslotte draaien we de N320 op, een brede weg.

Ik verkeer in de veronderstelling dat we die een klein stukje zullen volgen, en dan in de bergen zullen komen, maar de Becker blijft maar aangeven dat we hem moeten blijven volgen: we mogen er maar niet af!

 

We zien blauw water: een van de stuwmeren die samen de Mar de Castilla vormen, een aantal stuwmeren (vooral gevoed door de Tajo), die samen voor een groot deel Madrid van stroom voorzien.

We zijn redelijk dicht in de buurt van Madrid: we rijden er ten noorden langs, van oost naar west.

 

Tenslotte rijden we over de dam van het Embalse de Entrepeñas.

 

We tanken. Er voor is een plateau (een toekomstige rotonde misschien?) met een aantal metalen beelden, waaronder een stier en een steigerend paard. Ik heb helaas niet kunnen achterhalen waar precies.

 

De N230 is eindeloos lang. Ik moet toegeven dat het landschap perfect is, maar het blijft moeilijk te accepteren dat je zo verschrikkelijk lang op zo'n brede weg rijdt als je in je hoofd had dat het maar voor eventjes is.

We komen door Guadalajara, gestuurd door de GPS. Het is druk, en de N320 blijft breed.

Er waait een harde wind, het is vrij vlak, en ik word er erg moe van.

 

Tenslotte steken we een snelweg over (de A1), en op mijn Michelinkaart verandert de rode weg in en gele.

Maar in werkelijkheid blijft de weg even breed en even saai. Ik ben er nu zo van overtuigd dat ik verkeerd zit, dat we al lang en afslag hadden moeten hebben, dat ik stop.

We keren om, en Ernst gaat voorrijden, en neemt dan de eerste afslag die we tegenkomen, de M129, een mooi weggetje dat ons omhoog neemt.

 

Hier zie je nog eens hoe hij rijdend foto's maakt: uit de losse hand, met z'n linkerhand. Hij kan rijden zonder de koppeling te gebruiken, en kan in geval van nood altijd z'n stuur beetpakken omdat het fototoestel met een touwtje aan z'n pols is gezekerd.

Ik ben helemaal op, en we rijden daarom El Vellon in, op zoek naar een plek om even wat uit te rusten. Op het Plaza Mayor is een bar, waar we water, citroenlimonade, en broodjes eten.

Ik viel hier bijna om toen ik van de motor afstapte, en het duurde een poos voor ik me weer en klein beetje in staat voelde om verder te rijden.

 

Van hieruit hadden we kunnen doorsteken naar Atalaya Real, maar op de een of andere manier (ik denk dat de Becker de doorsteek nog niet kende) rijden we terug naar de weg van waar we El Vellon zijn binnengekomen, waarbij we langs het kerkje van El Vellon rijden.

 

We maken zo een enorme omweg via El Molar.

Het is een gepuzzel door El Molar, dat een uitgedijd dorp is (we zitten dichtbij Madrid, en dit wordt een soort Zoetermeer, lijkt het), maar als we daar uit zijn zitten we weer op een heel lief kronkelweggetje langs een embalsa.

Tenslotte komen we weer uit op de M608, de voortzetting van de N320 die er op mijn kaart uitzag als een lief klein weggetje met een groen randje...

 

Maar tenslotte, eindelijk, eindelijk, mogen we afslaan van de brede weg, en komen we op en bergweggetje terecht, de M626.

Dat weggetje brengt ons naar Miraflores de la Sierra, en we stoppen daar nog bij een hotel: daar overnachten zou betekenen dat we de pas die volgt kunnen rijden als we zijn uitgerust.

Maar het hotel ziet er zo onaantrekkelijk uit dat we besluiten door te rijden.

 

Na Miraflores de la Sierra begint de Puerto de la Morcuera pas echt, in de vorm van de M611.

Het is nog licht. Het is avondlicht, en de pas is zo op z'n mooist.

 

We rijden omhoog, de Sierra de Guadarrama in (of, preciezer, een gedeelte daarvan dat de Sierra de la Morcuera heet).

We klimmen hoger en hoger, en zien na verloop van tijd sneeuw liggen.

Je hebt hier af en toe grandioze uitzichten naar links, over de vlakte van Madrid.

 

We komen boven de boomgrens, en de schaduwen worden lang, in de schemering.

 

Als we afdalen komen we in de schaduw van de bergen terecht, en zien de zon in het dal voor ons.

 

We zien hier voor ons het Embalse de Pinilla liggen. De pas gaat niet in die richting: we zullen meer naar links beneden uitkomen.

Het is gedurende de hele pas heerlijk rustig, maar ook erg koud.

 

Vlak voor we in Rascafria aankomen zien we rchts van de weg een hotel, hotel los Calizos.

We stoppen, en ik ga vragen wat een kamer kost. De erg aardige mevrouw vertelt dat ze een aanbieding kan doen, waarvoor we een kamer krijgen, een avondmaaltijd en ontbijt. Dat klinkt erg aantrekkelijk, want om voor het avondeten nog eens Rascafria in te moeten gaan in de kou, dat is niet iets waar we veel zin in hebben: We doen het.

We bengen onze spullen naar de kamer, doen het raam open om te horen hoe prachtig stil het hier is, en horen dan Dwergooruiltjes (een soort van fluiten, dat je onmiddellijk herkent als je het ooit hebt gehoord). Terwijl ik naar buiten kijk zie ik er zelf een vliegen, een klein beestje met ronde vleugels!

 

Als we beneden komen voor het avondeten blijkt dat we de eetzaal vrijwel voor onszelf hebben. In de loop van de avond komt er nog één ander gezelschap.

 

Het eten blijkt absurd lekker: dit is een grote verrassing! Het hotel staat bekend om z'n restaurnt.

We hebben groene asperges (je ziet ze ingepakt in een geroosterde paprika), die superlekker zijn. Verder kalfsbiefstuk, waarvan ik nu nog watertand als ik ze op de foto zie liggen.

Hret brood is vers en zelf gebakken, en zelfs de aardappelen zijn veel lekkerder dan ik ze zelf kan maken. Voor Ernst is er op zijn verzoek een salade van tomaten en ui. En we krijgen een bordje met zeezout voor wanner we op een van de gerechten extra zout willen hebben.

We krijgen er Rueda wijn bij, die nog lekkerder is dan de onze.

 

Als dessert krijgen we een chocoladetaart die niet mierzoet is, maar juist heel sterk naar bittere chocola smaakt, met iets pittigs-zurigs. Wat was dit ongelofelijk lekker eten!

We zijn allebei doodmoe, gaan direct na het diner naar onze kamer, en vallen meteen in slaap.

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: