Zuilen en timpaan
De tempel van Diana in Merida

Guadalupe - Merida

We genieten van ons laatste ontbijt in de Hospederia van het Monasterio van Guadalupe.

We vertrekken naar het oosten over de EX102, en zien bij een mirador absurd veel Roofvogels.

Via een smal weggetje komen we in het gebied van de embalse's, waarvan we er een aantal oversteken, sommige met kasteel hoog er boven.

Het regent van tijd tot tijd, en we vinden een plek om te eten in een bar in een klein plaatsje, Sancti Spiritu.

Via La Serena rijden we richting Merida, waar we een hostal vinden en door de stad dwalen.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

zaterdag, 9 mei 2009

We krijgen, hoe kan het ook anders in de hospederia, weer een heerlijk ontbijt. Wat je op tafel ziet zijn bijvoorbeeld tostada's (geroosterd Spaans brood), ingesmeerd met tomaten en knoflook, en bedekt met een grote hoeveelheid roerei.

Een familie Spanjaarden aan een andere tafel klaagt voortdurend, dat het te langzaam gaat en dat er te weinig variatie is en meer onzin (in tegenstelling trouwens tot een andere Spaanse familie waarvan iedereen vrolijk en vriendelijk is). Het "moedertje" dat ons bedient rent de benen uit haar lijf en wordt er helemaal sjacherijnig van.

Voor we weggaan loopt Ernst naar haar toe, en zegt, uit een boekje: "Muchissimas gracias por vuestra hospidalidad" (duizend maal dank voor uw gastvrijheid), en het werkt als een toverspreuk, de klaagfamilie is geneutraliseerd.

 

Ik rijd de motor zelf naar beneden vanaf de parkeerplaats, hoewel ik nog bijna omval als ik hem met de koppeling ingetrokken onder veel bekijks start: die plakkende koppeling is soms erg lastig. De Tenere schiet dan naar voren. Inmiddels heb ik een simpele remedie geleerd: gewoon tijdens het starten de voorrem inknijpen. Maar ik ben overeind gebleven, en ik heb de blinde bochten in de smalle steile straatjes getrotseerd zonder om te vallen: ik ben trots op mezelf.

Ernst heeft gisteren en vandaag een route uitgezet met z'n Motorradplaner, en is er in geslaagd die te bewaren als route voor de Becker. Het duurde erg lang: ik heb een uur of anderhalf moeten wachten vanochtend. Ik heb mijn best gedaan om niet ongeduldig te worden (voornamelijk omdat dat een tegengesteld effect heeft), maar ben daar niet helemaal volledig in geslaagd...

Ernst rijdt voor op z'n eigen route.

Vrijwel direct als je Guadalupe uitrijdt zit je op een heerlijke bergweg. We rijden Guadalupe uit naar het oosten, via de Carretera de Navalmoral, de EX380.

 

Bij de aansluiting met de EX102, die naar het oosten loopt, en die we gaan volgen, is een rotonde.

Midden op die rotonde staat, bij wijze van kunstwerk, een miniatuur-uitgave van het prieel van het Claustro Mudejar van het Monasterio de Guadalupe.

Het prieeltje dient als overkapping van een waterput. Het mooie is dat je, als je het origineel ziet (als je op de plattegrond van het monasterio op nummer 18 klikt zie je een foto) zou zweren dat het van Gaudi of een tijdgenoot is, maar het is gebouwd in 1404. Mudejar is dan ook een van de inspiratiebronnen van Gaudi. Hij noemde zijn Casa Vicens dan ook neo-mudejar.

 

Eerst rijden we verder door de droge bergen hier, richting oosten. Een hele lekkere weg, die we vrijwel voor onszelf hebben.

Guadalupe is op allerlei manieren een erg mooie plek in Spanje: het monasterio is absoluut de moeite van een bezoek waard, en het ligt midden in de Sierra de Guadalupe, die aansluit op de Montes de Toledo, en het ligt vlakbij Trujillo (waar we geen gebruik van hebben gemaakt deze keer), en het vogelparadijs Monfragüe (waar we ook deze keer geen gebruik van hebben gemaakt).

En dan rij je er over heerlijke toegangswegen naar toe, en over perfecte motorrijderswegen als deze weer vandaan.

 

In een bocht zien we een mirador met een parkeerplaats, van waaruit je uitzicht hebt over een landschap met rotsen. We hebben onderweg een aantal roofvogels gezien, en stoppen om die goed te kunnen bekijken.

Het is het Mirador Estrecho de la Peña Amarilla.

De Rio Guadarranque heeft een kloof uitgesleten, en overal in het landschap steken hoge rotsen uit boven de diepte van de kloof.

We zien een grote hoeveelheid Vale Gieren en (zwart-witte) Aasgieren. Ernst maakt foto's, maar dan hoort hij motoren aan komen, dus rent hij naar de weg om daar actiefoto's te maken: we zitten hier aan een prachtige mooie bocht.

 

Terwijl Ernst de motoren op de foto zet verschijnt er tot mijn grote verrassing een Zwarte Ooievaar. Dit is de eerste keer dat ik die zie! Ze zijn niet alleen heel zeldzaam, maar leiden ook een heel beschut leven, en laten zich, in tegenstelling tot de witte Ooievaar, heel zelden zien.

Dan komt er een Aasgier aan (ook een vogel waarvan ik erg blij was hem te zien: dit was niet de eerste keer dat ik hem zag, maar je ziet hem veel minder vaak dan de Vale Gier), die de Zwarte Ooievaar begint aan te vallen! De Zwarte Ooievaar blijkt aardig van zich af te kunnen bijten, trouwens.

Ik roep onmiddellijk Ernst, en die rent weer terug van zijn motorrijdersbocht en maakt foto's, waar onder andere deze tussen zit, die prachtig is gelukt. Je ziet zelfs de rode open snavel van de Zwarte Ooievaar, en de gele washuid en snavel van de Aasgier.

Maar dan komen er weer motoren aan, en hij rent weer naar zijn bocht.

Terwijl ik naar de Zwarte Ooievaar kijk verschijnt er nog een roofvogel, en ik zie heel lichtbruine strepen in de lengte op z'n schouders: een Spaanse Keizerarend. Ook die zie ik voor de eerste keer, althans, zo zonder enige twijfel.

Ik roep Ernst weer, die weer terug rent. Het was een erg drukke plek voor de fotograaf daar! Helaas was de Spaanse Keizerarend zo ver weg dat hij niet meer herkenbaar op de foto's staat.

 

Hier dan ook nog een van de (vele) foto's van een motor in de bocht. Er kwamen er nogal wat langs, en het is een prachtige bocht inderdaad!

Terwijl we staan te kijken verschijnt er - vanaf dezelfde weg die zo leeg leek terwijl wij er reden - driemaal een auto op de parkeerplaats, met mensen die ook even komen kijken.

Als we willen wegrijden komen er ook een paar fietsers aan. "Jullie logeerden ook in de Hospederia he?", vragen ze, in het Nederlands. "We herkennen jullie motoren van de parkeerplaats".

Ik vertel ze wat we hier allemaal gezien hebben, en de ene zegt tegen de ander: "Sorry, dat wordt weer een lange pauze: het is de moeite waard om hier even te wachten op wat we te zien krijgen."

Ik hoop voor ze dat ze net zoveel geluk hadden als wij. Het is hier volgens mij altijd een erg mooie plek om vogels te kijken, maar met die Zwarte Ooievaar en die Spaanse Keizerarend heb ik, geloof ik, toch wel erg veel geluk gehad!

 

We rijden verder over wat de "Rute Estrecha de la Peña" heet, de smalle route van de rots, als ik het goed heb begrepen.

Dat smal valt wel mee, maar mooi is de route wel.

Je ziet aan het bord waar de naam van de route op staat trouwens dat dit inderdaad een route is waarlangs je veel gieren en roofvogels zult zien: er staat een Vale Gier afgebeeld op het bord.

We rijden in bochten omlaag, het dal van de Rio Guadarranque in.

 

Beneden aangekomen rijden we over een nauwelijks waarneembaar stroompje.

Dat is altijd weer vreemd, als je ziet dat een nauwelijks zichtbaar beetje water in de loop der eeuwen zo'n waanzinnig groot dal (en deels ravijn) heeft uitgesleten.

Je ziet aan de oude brug trouwens wel dat er tijden zijn dat de rivier heel wat meer voorstelt: hij bevat nogal wat bogen.

Er staan een paar lelijke picknickbankjes op dit verder erg mooie plekje. Je ziet trouwens ook mooi de Cistus-rozen die je hier overal ziet bloeien. Maar hoe idyllisch het hier ook is, het kan natuurlijk op geen enkele manier op tegen het mirador waar we de Zwarte Ooievaar en de Spaanse Keizerarend hebben gezien...

 

Vanaf de Rio Guadarranque rijden we weer omhoog, de bergen in, tot we een weggetje rechtsaf nemen (nog voor de Puerto de San Vicente).

Het blijkt een erg slecht onderhouden weggetje, waardoor je je, dat idee heb ik altijd, nog veel meer deel van het landschap voelt. Rechts is een dal, links is bos.

Er zijn veel kleuren hier: gele struiken die heerlijk ruiken, hier en daar lichtblauwe Irissen, in het wild, en oranje aarde.

In de verte zie je overal heuvels. Het is rijden door bochten, over hobbels en gaten: heerlijk!

 

Dan komen we terecht op de N502, waarop we naar rechts afslaan. We rijden nu naar het zuid-westen.

De weg voert ons door een kaal gebied (dor gras), en we rijden via geweldige bochten af op het Embalse de Cijara.

We komen tot vlak bij de dam, op het punt waar het Embalse de Cijara het Embalse de Garcia Sola tegenkomt.

We steken daar niet over (moeten we zeker een keer doen, want je komt in een natuurgebied terecht dat speciaal voor vogelaars interessant zou zijn), maar blijven de N502 volgen, die lekker bochten blijft bieden.

We rijden nu hoog boven het Embalse de Garcia Sola langs.

 

We komen door Castilblanco, waar we een perkje zien met standbeeld, dat uit bestaat uit twee handen die iets lijken vast te houden, op een sokkel van "wilde" rotsen.

Het is het Monumento al Emigrante, en het is een herinnering aan iedereen die vroeger moest emigreren uit het dorp omdat er niet voldoende te eten was.

De streek waar we doorrijden, en vooral ook die aan de overkant, heet trouwens La Siberia. De naam wijst er al op dat dit gebied vroeger niet echt plezierig was om te wonen. De embalse's zijn waarschijnlijk de redding van deze streek geweest.

 

Na een erg mooie afdaling door nog steeds kaal gebied, steken we het Embalse de Garcia de Sola over.

Even verderop steek je weer via een brug een uitloper van het embalse over, en dan klim je in hoog tempo omhoog.

Er blijven mooie bochten komen, en in een kaal landschap is dat extra lekker rijden: je kunt ze al van heel ver overzien.

De auto achter me deed erg z'n best om bij te blijven, maar bergop met bochten: dan kan geen auto tegen een motor op ;-)

 

We komen uit bij Herrera del Duque, waar, op een heuvel erboven, de ruïne van een kasteel staat, het castillo-fortalezza van Herrera del Duque. Het is niet erg fotogeniek: je ziet een soort plomp rechthoekig gebouw op de heuvel.

We slaan daar linksaf, en komen uiteindelijk terecht op de N430, die we een stukje naar het westen volgen (rechtsaf).

Je rijdt door hetzelfde landschap, maar snel, veel sneller. Ik probeer op vogels te letten, maar heb te veel betraande ogen door de wind.

We slaan na niet al te lange tijd linksaf naar Garbayuela, via een smaller weggetje, en dan begint het te spetteren: regenspullen aan, voor de zekerheid. Het dorp dat je in de verte ziet is Garbayuela.

De motorrijders die we hier zien zijn de eersten sinds het mirador!

 

Het is inmiddels al sinds een poos etenstijd, maar we zijn niets tegengekomen dat op een bar lijkt die ook nog open is. Ook in Garbayuela vinden we niets.

We slaan daar rechtsaf, de BA 135 op, en rijden dan door de dehesa. Dehesa is gemeenschappelijk land, dat gebruikt wordt voor zowel boomgarden (van vooral kurkeiken) als voor vee (vooral varkens, maar ook koeien). Bovendien wordt het gebruikt voor wild, paddesteoelen, en brandhout. Het is een beetje hetzelfde idee als de fruitboomgaarden in Limburg, waar de koeien tussen lopen. De mest van de dieren die je er houdt maken de aarde vruchtbaarder, en doordat het gemeenschappelijk bezit is, is het zo uitgestrekt dat je op allerlei manieren opbrengst hebt.

Dehesa is typisch Spaans (en Portugees), en binnen Spanje staat de Extremadura aan de top van het oppervlakte aan dehesa.

Het is vreemd om hier te rijden met een zo bewolkte lucht: de dehesa is een droog landschap, en andere keren dat ik er doorheen reed was het zonovergoten.

De dehesa is niet alleen perfect voor de varkens en koeien die er rondlopen, maar uiteraard ook voor vogels. Het is alleen lastig om ze te zien te krijgen: het is uitgestrekt, en er kan van alles verstopt zitten tussen de bomen.

 

Bij Siruela slaan we rechtsaf, naar het westen, een iets bredere weg op, de BA136.

Het is hier een erg aangenaam landschap om doorheen te rijden. De dehesa is soms ijl, soms wat dichter, er zijn hoogteverschillen, en uiteraard bochten.

 

Even verderop draaien we weer linksaf, een smaller weggetje op.

Deze trekker doet me beseffen dat we al lang geen ander verkeer zijn tegengekomen. Het wordt langzamerhand een probleem dat we maar niets tegenkomen waar we iets kunnen eten.

Het alternatief is ergens stoppen en wat Sultana's oppeuzelen. Als we in het volgende plaatsje niets tegenkomen zullen we dat gaan doen.

 

We rijden Sancti Spiritus binnen, en het ziet er niet veelbelovend uit, wat mogelijkheid om te eten betreft. Ik ben in zo'n geval altijd blij dat Ernst en ik geen apparatuur gebruiken om met elkaar te communiceren op de motor: als ik zoiets zeg krijgt hij het gevoel dat ik daarmee als het ware magisch oproep dat alle eventueel aanwezige etablissementen ter plekke verdwijnen, of sluiten.

Op het bord staat Cabeza del Buy aangegeven, en deze weg is ook de enige mogelijkheid om Sancti Spiritus weer uit te rijden, tenzij je terugrijdt. We rijden hier over de hoofdstraat van Sancti Spiritus.

In zo'n geval heb ik altijd het idee dat we de man op het bankje buiten blij maken door hier langs te rijden: je hebt het gevoel dat je de enige bent die hier die dag langs komt. Maar uit ervaring weten we langzamerhand dat Spanje weliswaar erg leeg lijkt, maar dat je, als je ergens gaat zitten, toch behoorlijk vaak iemand langs ziet komen. Hoewel: het zal toch niet elke dag zijn dat deze man twee Nederlandse motorrijders ziet langsrijden.

 

Ernst rijdt willekeurig een zijstraat in, en verdomd, hij vindt een bar! De bar heeft de ironische naam "El Escorial" (ironisch omdat het Escorial een wanstaltig groot paleis is).

De bar heeft bovendien een terrasje buiten, in de schaduw, en dat is een zeldzaamheid voor zo'n kleine bar. Perfect: we zijn gered!

Er staan twee tafels buiten; aan de ene tafel is een gezelschap bezig aan de laatste resten van een middagmaal; aan de andere tafel installeren wij ons. De regenspullen gaan uit.

Menukaarten zijn er niet; er is alleen een menu del dia, en dat is op. Maar er zijn wel tapas en raciones. Ik neem kaas, Ernst kiest lomo, en beiden krijgen we brood en water. En koffie na.

Het mooie van veel te lang niets te etene vinden is dat zo'n hele simpele maaltijd dan echt overheerlijk smaakt ;-)

Het is inmiddels blauwer geworden: we kunnen zonder regenspullen aan vertrekken.

 

Wanneer we de motoren bijna gestart hebben horen we getrommel en zien we een klein groepje mensen. Eentje heeft een trommel en een jongen naast hem draagt een soort zwarte madonna van suikergoed. Er lopen wat mensen achteraan (de jongeren een beetje opgelaten met de situatie, de ouderen trots).

Het is het Fiesta de San Gregorio.

Het wordt, zo te zien, ook het Fiesta del Chuzo genoemd (het feest van de Snoek), en het idee is, geloof ik, dat ze in optocht de huizen langsgaan van de hermandad, de broederschap, voor een gezamenlijke maaltijd.

We wonen in Zuid-Limburg, waar dit soort tradities ook nog steeds in ere worden gehouden, ook al zijn de dorpen nog zo klein. Ik vind het prachtig!

 

Als we Sancti Spiritus uitrijden zien we rechts van ons een dromerig landschap, van kaal, vrij dor grasland, met in de verte, wat nevelig, puisterige heuvels. Op een er van prijkt een kasteel.

Je ziet nog heel vaag wat koeien lopen, in dit landschap dat zo weinig bomen telt dat je het nauwelijks meer dehesa kunt noemen.

Je ziet hier overal vogels, meestal kleine bruine vogeltjes, die vanaf de motor niet te determineren zijn. Maar ook bijvoorbeeld Hoppen op telefoondraden.

 

Even later rijden we op de EX322, naar het noorden, langs het embalse de la Serena.

In de verte zie je de brug al liggen. Die brug leidt naar een eiland in de vorm van een puntige heuvel, waar de weg eenrichtingsverkeer wordt: je mag er alleen rechtsom omheen rijden. Aan de andere kant van de berg is een heel vreemde situatie: een tweesprong waarna je, als je per ongeluk de verkeerde kant kiest, nogmaals helemaal rond de berg moet rijden om weer goed uit te komen.

 

Na de oversteek van het stuwmeer, via de berg in het midden, wordt de weg mooi bergachtig.

Stuwmeren geven vaak een onwezenlijk gevoel, en dat is hier in grote mate het geval: in een omgeving die kurkdroog is, en waar je dus op geen enkele manier een meer verwacht, zie je opeens enorme wateroppervlakten, van vaak zwembadblauw water. Alles straalt er als het ware van af dat ze door mensenhanden zijn ontstaan.

 

Bij Esparragosa de Lares zien we een kasteel op de top van de berg liggen. Het is het Castillo de Alcocer, dat hoort bij het aan de andere kant van de berg gelegen Puebla de Alcocer.

Het kasteel ligt op het hoogste punt van een hele wijde omtrek, die altijd al vrij kaal is geweest: het is dus inderdaad een strategisch punt. Het is al in de 13de eeuw gebouwd.

 

Hier rijden we door Esparragosa de Lares.

Het geel met witte kerkje dat je hier ziet heeft de prachtige naam Iglesia del Sagrado Corazon de Jezus "El Hospital" (kerk van het heilige hart van jezus, het ziekenhuis).

Uiteraard broedt er een Ooievaar op de kerktoren. Het nest zit net verstopt achter de open klokkentoren van de achterste toren.

Je ziet hier trouwens mooi geïllustreerd wat een enorme invloed dit gedeelte van Spanje heeft gehad op de inrichting van Midden- en Zuid-Amerika (en zelfs op het zuiden van de Verenigde Staten): wie krijgt hier geen associaties met dat gedeelte van de wereld mee?

De website van Esparragosa de Lares meldt trots dat de kleuren wit en geel van dit kerkje karakteristiek zijn voor de streek waar we nu net zijn binnengereden, La Serena, maar dat is toch iets te veel eer: je ziet die kleuren bijvoorbeeld ook heel veel in Sevilla, in Andalucia.

 

Ons weggetje komt uit op een grotere weg, de EX103, en op een gegeven moment moeten we helaas weer stoppen om de regenkleren weer aan te trekken. De druppels beginnen echt te vallen.

Dan rijden we door La Serena: vlak land, nou ja, niet helemaal vlak maar wel behoorlijk, en kaal, zonder bomen: geen dehesa meer. Grasland en hier en daar graan, en enorm groot. De Moren waren hier al, en later is het vooral een gebied geworden van schaapsherders. En nog steeds zijn schapen een behoorlijke pijler van de economie.

Dit gebied moeten die arme vogelaars doorkruisen op zoek naar de Grote Trap, die ons zomaar in de schoot werd geworpen.

Er zijn heel veel vogels hier: veel Wouwen en Kiekendieven, en heel veel kleine vogeltjes. Onderweg zie ik trouwens ook vanaf de motor: Bijeneters bij een zandhoop waar we tankten, veel Hoppen, en heel veel Leeuwerikachtigen, Klapeksters, Roodkopklauwieren, en Zwaluwen natuurlijk.

En dan zijn we niet eens gestopt om vogels te kijken!

Wat je op de foto ook ziet zijn enorme zonnepanelen. Spanje doet het goed op het gebied van energie: ze hebben niet alleen overal die embalse's, maar je ziet ook op veel plekken enorme zonnepanelen staan. Vandaag is het bewolkt, maar dat is vrij zeldzaam hier.

Die bewolking geeft wel weer erg mooie luchten!

 

Hier zie je hoe bijzonder dat landschap van La Serena is: de weg is hier kaarsrecht, maar de rechte stukken zijn hier minder ellenlang dan bijvoorbeeld in Castilla La Mancha. Het land is ook niet echt vlak: je ziet heuvels, en hoogteverschillen. Het land wordt hier en daar bebouwd, en dan zie je de oranje aarde. En er is veel dehesa, met spaarzame bomen.

Vandaag kleurt alles extra diep, door de wolken, die zo vriendelijk zijn voornamelijk wolk te blijven: de spetters blijven spaarzaam.

 

Hier zijn de kleuren minder spectaculair, maar zie je wel weer mooi de dehesa. Het lijkt wel een savanne, maar aan de dehesa komen mensenhanden te pas.

En het mooie is natuurlijk dat zoveel dieren daar zo goed in gedijen, net als op een natuurlijke savanne.

We zitten inmiddels op de BA112.

 

We rijden lange tijd door La Serena, en dan, bij Puebla de la Reina (het dorp van de koningin), begint het serieus te regenen. Je ziet het aan de lucht.

Ik heb geen idee waar de zuiltjes op slaan die op dit plein staan: voor zo ver ik weet bevat Puebla de la Reina geen Romeinse tempels. Misschien leunt Puebla de la Reina een beetje op Merida, dat hier in de buurt begint te komen, en misschien doe ik Puebla de la Reina wel heel veel onrecht aan, en heb ik het mis.

De bankjes op dit plein vind ik trouwens erg mooi. Je ziet ze op veel plaatsen in Spanje, en ze doen een beetje Gaudi-achtig aan.

De weg die we volgen buigt hier meer naar het noorden, en dat is ons geluk: we zijn de regenbui al snel weer uitgereden.

 

Onderweg zijn we al overal Ooievaars tegengekomen: ik denk dat het in de Extremadura lastig is om een kerktoren te vinden zonder Ooievaarsnest.

Maar de aantallen Ooievaars beginnen nu, op de EX21, richting noordwesten, nog groter te worden. Er is hier zelfs geen elektriciteitsmast te vinden zonder Ooievaarsnest.

Ik denk dat er weinig mensen te vinden zijn die niet blij worden als ze een Ooievaar zien. Dat geldt ook voor Spanjaarden, die veel meer dan wij verwend worden door dit soort beelden. Ik hoorde over een hotel dat gebouwd werd op de plaats van een ruïne die vol met Ooievaarsnesten zat. Het hotel kreeg alleen toestemming om te bouwen als ze nestgelegenheid zouden creëren voor al die Ooievaars. En zo geschiedde.

 

Je kunt hier mooi zien dat Ooievaars jaar na jaar terugkomen naar dezelfde plek, en daar een nest bovenop het nest van het jaar daarvoor bouwen. Dit Ooievaarspaar heeft een lange geschiedenis...

Steeds meer Ooievaars overwinteren in Spanje, in plaats van naar de overkant van de Middellandse Zee te trekken. Dat heeft te maken met de warmere winters, maar is erg voordelig voor de Ooievaars: Spanje is erg gesteld op z'n Ooievaars, en ze worden hier niet neergeschoten.

Hier is blijkbaar voedsel in overvloed: zelfs de lichtmasten van de plaatselijke voetbalclub zijn in gebruik genomen als plaats voor een nest.

 

Hier, vlak in de buurt van Merida, rijden we langs wat een ruïnedorp lijkt. De ruïnes zijn bedekt met Ooievaarsnesten. Het zijn er absurd veel.

De natuurlijke nestelplaats van Ooievaars is in een boom. Als een plaats maar hoog is, vinden ze het prima. Dit is echt een prachtig gezicht.

Dat Spanje zo ongelofelijk veel ruimte heeft heeft onder andere tot gevolg dat dit soort ruïnes (de bouwval van een fabriek?) gewoon aan hun lot kunnen worden overgelaten. Ideaal voor Ooievaars!

 

En dan rijden we Merida binnen. In de tijd van de Romeinen was dit het tweede Rome; nu is het een slaperig provinciestadje in de Extremadura.

We rijden hier door wat stadspoort lijkt naar binnen, maar het is de Arco de Trajano, een triomfsboog die naar Trajanus is genoemd, maar waarvan op geen enkele manier zeker is dat hij inderdaad iets met Trajanus te maken heeft. Of dat het zelfs maar een triomfsboog is. Hij is Romeins, dat is zeker. Dat houdt in dat deze boog, uit losse stenen, hier al meer dan tweeduizend jaar staat!

De GPS, die ons naar een door mij van te voren uitgekozen hostal zal wijzen, stuurt ons via de Plaza de España een voetgangersgebied in. Het hostal zit blijkbaar in een voetgangersgebied, dus we gehoorzamen de Becker. Direct stopt er een politieauto. We stamelen wat in het Spaans, dat we naar een hostal proberen te rijden, en ik probeer te vragen hoe we daar dan moeten komen. De agenten melden nogmaals dat we een voetgangersgebied binnenrijden, en dan rijden ze weg: waarschijnlijk kunnen zij zelf ook niet bedenken hoe we dan bij dat hostal zouden kunnen komen. Wij rijden daarom maar, in het zicht van de agenten, door op de route die de Becker aangeeft, en er is geen vuiltje aan de lucht.

 

Even later komen we, door ons niets aan te trekken van voetgangersgebieden (als we dat wel hadden gedaan zouden we de rest van ons leven rondjes rijdend in Merida hebben doorgebracht), aan bij Hostal el Alfarero, gehuisvest in een knalgeel gebouw (mijn favoriete kleur) in een voetgangerssteeg.

Ik loop naar binnen om te vragen of er plaats is, en dat is het geval: we krijgen een kamer zonder raam, maar met airconditioning, een groot bed, massagedouche en met vooral een prachtige keramieken wasbak (gekleurd en met bloemen en vogels). Alfarero betekent dan ook: pottenbakker.

Het hostal heeft bovendien een heerlijke binnenplaats met tafels en stoelen en veel bloemen en overal dat keramiek. En de eigenaar belooft dat hij ons zal bellen als de politie moeilijk doet over de motoren aan de overkant op de stoep.

We blijven hier twee nachten slapen, zodat we morgen op ons gemak Merida kunnen bekijken.

 

We lopen vanuit ons hostal in de richting van de Romeinse brug over de Guadiana. Het eerste dat we tegenkomen is dit Portico del Foro: de poort naar de Romeinse markt, zou je kunnen zeggen.

Er is duidelijk veel aan gedaan, de laatste tijd, om de Romeinse resten wat toegankelijk en inzichtelijk te maken. Overal vind je kleine plattegrondjes die laten zien wat er zoal is in de stad (heel erg veel), en er is overal uitleg bij.

Maar erg veel bekend is er niet over deze Portico del Foro, behalve wat je al ziet: er zijn zuilen, er zijn bogen, en er zijn nissen waar beeelden in staan.

 

Vlak daarna loop je langs de tempel van Diane, die behoorlijk goed bewaard is gebleven (uiteraard ook gerestaureerd). Ook van deze tempel is de naam niet zeker: waarschijnlijk was Diane niet de godin voor wie deze tempel bestemd was, maar speelde hij een rol in de cultus rond de Romeinse keizer, die tegen de tijd dat Merida werd gebouwd (door Augustus) een soort godenstatus had.

Aan de voorkant van deze tempel grensde het forum: het centrale plein van de Romeinen. Iets dat nu in Spanje Plaza Mayor heet, of Plaza de l'España: eigenlijk is er weinig veranderd ;-)

 

Dit beeld van Romulus en Remus is hier niet door de Romeinen neergezet, maar staat hier om aan te geven hoe belangrijk Merida was voor de Romeinen.

Romulus en Remus waren volgens de Romeinse legende twee jongetjes, een tweeling (zoontjes van wie precies, daar lopen de Romeinse verhalen over uiteen). De moeder werd vermoord, en Romulus en Remus werden in een rieten mandje in de Tiber gelegd (dat rieten mandje heeft dus vaker dienst bewezen). Ze werden gevonden door een wolvin, die ze zoogde. Toen ze groot waren geworden hebben ze Rome gesticht: Romulus en Remus zijn de stichters van Rome.

Merida is gesticht door keizer Augustus, en kreeg als naam "Merita Augusta": het was bedoeld als plek voor soldaten die met pensioen gingen (emeritaat). Het werd na Rome een van de belangrijkste steden in het Romeinse rijk. Vandaar dit beeld van Romulus en Remus.

 

Uiteindelijk komen we bij de Puente Romano, de Romeinse brug over de Rio Guadiana. De brug is ongelofelijk lang (755 meter, met 62 bogen). Tot een paar jaar geleden werd hij nog steeds gebruikt voor verkeer (inclusief vrachtwagens), en dat is toch wel behoorlijk indrukwekkend voor een brug van 2000 jaar oud.

Tegenwoordig is hij het domein voor voetgangers. En voor vogels: de Guadiana is hier breed, en heeft moeras-achtige oevers, waar volgens dol op zijn.

Er vliegen veel Kleine Zilverreigers, er klinken Grote Karekieten, en we zien een Ralreiger en Vale Gierzwaluwen.

Een 2000 jaar oude brug, bij een stad, waar je op een willekeurige avond (en dus met erg slecht licht) deze vogels ziet, dat geeft een geluksgevoel dat ik niet goed kan beschrijven ;-)

 

We slenteren terug door de stad (nou ja, het stadje). Dit is de Plaza España, met winkels, veel mensen, en een kerk, de Concatedral de la Santa Maria la Mayor, met een vriendelijke buitenkant van geel-oranje steen (hij staat niet op de foto). We lopen naar binnen, en maken een mis mee die wordt opgeluisterd door een koor. De koorleden zingen met een pij aan, en wat vooral opvalt, is dat alle liederen in het Spaans zijn (in Nederland hoor je vooral Latijn).

Het is heel leuk om zo eventjes tussen de bewoners van Merida te zitten, en mee te maken hoe het leven hier is. Het is redelijk druk in de kerk, en gezellig.

 

Verder door de stad lopend komen we overal sporen van de Romeinen tegen, met borden erbij met (meestal erg onduidelijke) uitleg: de tempel van Diana die we zagen hoorde bij een van de twee forums, het Foro romano.

We vinden de Arco de Trajano terug, die toegangspoort blijkt te zijn voor een tweede forum, het Foro romano provincial. Van de tempel die bij dat tweede forum hoorde zijn een paar straten verderop nog een paar brokstukken te vinden.

En we komen resten van thermen tegen, en van een soort silo's waar ze sneeuw bewaarden om te kunnen koelen.

Hier zie je de ingang van het Museo Nacional de Arte Romano, waarover morgen meer.

 

We eten in Meson el Alfarero. Ondanks dat het dezelfde naam heeft als het hostal, en duidelijk ook (veel gekleurd keramiek) door dezelfde man is ingericht, hoort het niet (meer) bij het hostal.

Het eten is veel te duur, maar wel erg lekker. We besluiten om de prijzen maar even te vergeten, te genieten van het eten, en ons voor te nemen hier nooit meer te komen ;-)

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: