Tenere en kasteel
Castillo van El Barco de Avila

Rascafria - Alberca

We krijgen een superontbijt in de tuin van ons hotel in Rascafria.

Dan gaan we op weg, door de Sierra de Guadarrama, langs el Escorial.

We trekken verder door en langs de Sierra de Gredos, langs schilderachtige bergwegen.

Tenslotte rijden we door de Sierra de Francia, via hele smalle kronkelweggetjes.

We eindigen de reis in Alberca, schilderachtig maar doods.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

woensdag, 6 mei 2009

Buiten op het grote terras zitten we aan onze ontbijttafel, met rondom ons de enorme tuin.

Vanochtend dacht ik helemaal zeker te weten dat ik een van de Dwergooruiltjes die ik gisteravond in het donker hoorde en zag, verstopt zag zitten in een oude knotwilg. Maar helaas: het bleek een als uil vermomde takstomp.

Maar ondanks die teleurstelling hoef ik over vogelgezang niet te klagen bij dit ontbijt!

Ernst krijgt gebakken ei en worstjes en bacon en zelfgebakken brood, en ik tostada's met tomaten, en croissantje en boter. En allebei krijgen we koffie en versgeperst sinaasappelsap. Hotel los Calizos is een ongelofelijk goed plekje!

 

Overal is aandacht aan besteed. Vooral aan het eten uiteraard: de keuken is hier ongelofelijk goed.

En zoals je ziet hebben zelfs de sleutels van de kamers en speciale behandeling gekregen.

 

Vanuit het hotel rijden we het allerlaatste stukje van de Puerto de la Morcuera, naar Rascafria.

Dit was een bijzondere ervaring: een enorm hartelijk welkom na een rit, in de avond, over een pas, waarbij we helemaal verkleumd waren geraakt, en dan blijkt het eten extreem goed. Helemaal op de bonnefooi gevonden, gewoon, het eerste hotel dat we tegenkwamen toen we er heel hard aan toe waren. Dat zijn de mooiste ervaringen.

 

Rascafria is een klein stadje: je bent er zo doorheen. Levendig en welvarend: het weekend-toerisme vanuit Madrid brengt welvaart.

 

We rijden nog langs een klooster, het Monasterio de Santa Maria del Paular.

Het monasterio heeft vreemd genoeg twee websites. Op de andere, waar ook tijden op te vinden zijn waarop je het kunt bezoeken (het ziet er bezienswaardig uit) staat ook dat er een hospederia bij het monasterio is, een plek om te overnachten. Maar: "El Monasterio no es un hotel, ni una casa de retiros, ni una clínica..., es solo un lugar en donde se busca a Dios", het klooster is geen hotel, geen retraitehuis, en geen kliniek... het is alleen een plek waar naar god wordt gezocht (als ik het goed heb begrepen). De bedden zijn dan ook strict eenpersoons...

Er zijn meer kloosters met zo'n hospederia in Spanje. Soms zijn ze veranderd in superluxe hotels, soms zijn ze, zoals hier, echt bedoeld voor wie een tijdje als monnik wil leven. Het mooist zijn ze, voor de reiziger, natuurlijk wanneer ze wel als hotel gebruikt kunnen worden, maar nog wel het gevoel overhebben van een overnachting in een klooster. We hebben dat al eens meegemaakt in het Monasterio Nuova Santa de Valvanera, en we zullen tijdens deze vakantie een ongelofelijk mooi voorbeeld daarvan tegenkomen.

 

Dan zijn we uit Rascafria, en rijden we over de M604 naar het zuiden. Voor ons zien we de hoge, besneeuwde toppen van de Sierra de Guadarrama.

 

We rijden door dennenbos. Het is een heerlijke, aangename weg met bochten, en de temperatuur is perfect. Overal zijn wandelpaden en picknickplekken.

Ik schrijf dit verhaal bijna twee jaar later op, en ik zie nu hoe weinig ik me had aangepast aan het hersenletsel dat ik aan mijn ongeluk heb overgehouden. Mijn denken is langzamer geworden, en ik heb geen "filter" meer van m'n indrukken, waardoor ik veel sneller vermoeid ben dan ik gewend was.

Het is echt ongelofelijk hoe lang het duurt voor je, als je zoiets weet, je gedrag er op hebt afgestemd. Van deze weg kan ik me herinneren dat ik al die wandelpaden en picknickbanken zag, maar ik kwam niet op het idee dat ik al lang toe was aan een dag rustig aan, een wandelingetje, en bijkomen.

Ik reed door, de aanwijzingen van de Becker opvolgend. De dagetappes waren weliswaar vaak korter dan we van voor het ongeluk gewend waren, maar nog steeds erg lang. Het was teveel, en ik herken nu aan m'n notitie over de picknickbanken en de wandelpaden dat er wel een stemmetje was dat me vertelde dat we hier gewoon een dag moesten blijven (Hotel los Calizos was een perfecte plek geweest daarvoor), maar dat ik er niet naar luisterde, doordat ik me gedroeg zoals ik dat gewend was voor het ongeluk.

 

De eerste pas waar we het hoogste punt van bereiken is de Puerto de Cotos.

Het uitzicht op de besneeuwde bergen wordt helaas nogal verborgen achter dennen.

Er zijn enorme parkeerplaatsen, nu helemaal leeg, en, hoe kan het ook anders in Spanje, een bar-restaurant, maar we zijn nog niet toe aan een pauze. We stoppen alleen even om om ons heen te kijken.

 

Aan de andere kant van de Puerto de Cotos rij je aan de schaduwkant van de bergen, en dan is er meteen sneeuw in de bermen.

We klimmen nu naar de volgende pas, die nog net iets hoger ligt.

 

Via wijdse bochten, zonder verkeer, rijden we omhoog naar de volgende pas: de Puerto de Navacerrada.

De parkeerplaatsen zijn hier nog groter dan op de vorige pas, en hier is niet slechts één restaurant, maar meerdere wintersporthotels: dit is een wintersportcentrum.

 

Met heerlijk-wijde bochten rijden we weer omlaag, de vlakte beneden in.

Ik weet dat we nu dicht in de buurt zitten van het Escorial, het megalomane paleis van Filip de tweede (ja, dezelfde als onze "vijand" tijdens de 80-jarige oorlog). Ik wil er langs rijden, met het vage plan om er een kijkje binnen te nemen.

Als ik een bordje zie met "El Escorial" linksaf, sla ik dan ook af, tot verbazing van Ernst, die de route op z'n Becker rechtdoor ziet gaan.

Maar Spanje laat zich vandaag van z'n ingewikkeldste kant zien: El Escorial, het paleis, ligt in een plaats die San Lorenzo del Escorial heet, terwijl er een andere plaats is die simpelweg El Escorial heet, waar het paleis, dat El Escorial heet, zich dus juist niet bevindt.

Ik zie, in El Escorial aangekomen, dat ik fout zit, heb geen flauw idee wat te doen, en stop. Ernst heeft op zijn beurt weer geen flauw idee waarom ik een nieuwbouwwijk ben ingereden.

We houden even pauze, en dan leidt Ernst ons terug naar de plek waar ik van de route afweek: ik heb geen enkel idee meer hoe daar te komen. Vandaar volg ik netjes het pijltje, en dan rijden we, keurig de route volgend, vanzelf om het enorme Escorial heen. Een burcht-achtig paleis, enorm van afmetingen, en met een enorm uitzicht over de hoogvlakte waar Madrid in ligt.

 

We zijn te moe van de verdwaalactie om hier te gaan kijken. Het heeft bovendien ook iets moeilijks, zo'n paleis vol dure kunstschatten, waarvan je weet dat die verdiend zijn over de ruggen van heel veel mensen. Filip II was niet bepaald een plezierig heerschap.

Als we verder rijden zien we nog lang de torens boven het stadje uitsteken.

 

We rijden verder naar het zuiden, via de M505 en de M512, en de weg wordt mooi: bochten die je van ver kunt overzien: een erg mooie scheurweg.

 

We komen door Robledo de Chavela, waar we onder het centrumpje door worden geleid via een eenrichtingsverkeer-tunneltje.

Een vreemde ervaring, maar natuurlijk een erg goeie manier om het centrum leefbaar te houden zonder direct een enorme rondweg aan te hoeven leggen.

 

Een stukje na Robledo de Chavela draaien we rechtsaf de M539 op (die verderop de AV562 heet omdat we het gebied van Madrid uitrijden en het gebied van Avila binnenkomen), en het wordt er steeds mooier op.

Bochten en pijnbomen, gelardeerd met rotsblokken.

 

We komen nog in de situatie terecht dat de weg via een flauwe bocht over een riviertje loopt, terwijl de oude weg, die er met een mooie haakse bocht overheen loopt, nog is in te rijden. Ik probeer die oude weg: misschien is er bij het riviertje een mooie plek om pauze te houden.

Helaas is er nergens een plek om langs het water te zitten, en de toegang tot de nieuwe weg is effectief afgesloten, met een vangrails aan het einde, waardoor we er ook niet met de motoren door kunnen.

Ik kan dus werken aan mijn keerkunsten... Het gebeurt met steekwerk, maar desondanks ben ik trots dat ik het zonder hulp red: keren op zo'n smalle plek, met eigenlijk te korte benen, is psychologisch erg lastig.

 

Ik ben voortdurend op zoek naar een plek om pauze te houden, maar dat is erg lastig hier. Op plekken met rotsen langs de weg heb je geen mogelijkheid om ergens te zitten, en op andere plekken is de berm vaak met hekken afgesloten: het land hier is van enorme grootgrondbezitters, die hier "cortijas" hebben.

We komen aan bij de N403, die we en poosje moeten volgen naar het noorden, richting Avila. Ernst vindt een onverhard pad dat ons naar een stuwmeer brengt, het embalse de Burguillo. We houden er een pauze, en gaan dan verder over de N403.

Die is landschappelijk erg mooi. We zien steeds meer afgeronde rotsblokken. Die horen bij het landschap van de Sierra de Gredos.

 

Hier een blik op dat embalse. Je ziet de oevers, met afgeronde rotsblokken, en een begroeiing van pijnbomen.

Afgezien van de vangrails erg mooi!

 

We slaan dan linksaf, de AV902 in, en dan rijden we echt aan de voeten van de Sierra de Gredos.

Het landschap is hier sprookjesachtig mooi: je hebt aan de linkerkant zicht op het embalse de Burguillo, en de weg slingert zich er langs, met grote afgeronde rotsblokken, die her en der verspreid liggen alsof een reuzenkind z'n knikkers heeft laten slingeren.

Deze weg is een absolute aanrader: de moeite waard om er een enorm eind voor om te rijden!

 

Af en toe heb je tussen de pijnbomen door een blik op de oever van het embalse. Er zijn zandstrandjes tussen de rotsblokken: het is een idyllisch landschap hier.

In het weekend is het hier erg druk met Madrilenen die zonnen op de strandjes, barbeques houden tussen de rotsblokken, en met bootjes varen of een wandeling maken. Maar nu, door de week, hebben we de weg voor onszelf.

 

Onderweg zien we veel vogels: allerlei Roofvogels, en deze Ooievaars (we zien veel meer Ooievaars: het stikt hier van de Ooievaars).

Op een aantal plekken doen we een poging om een terrasje te vinden. In El Rincon wjst een bordje naar een Albergue. Die zit aan en zandstraat, blijkt, en is dicht.

We rijden ook Navaluenga in, op zoek naar en plek om uit te rusten in de schaduw, en wat te drinken. We rijden op onnavolgbare wijze door het stadje, via eenrichtingsverkeersbruggen, maar vinden geen geschikte plek.

Even verderop rijden we door Burgohondo, maar ook daar vinden we niets.

 

We rijden dus verder, en de weg is grandioos mooi. Deze foto laat het beeld zien dat ik van de Sierra de Gredos in mijn geheugen heb gegrift: enorme uitzichten aan de ene kant (met vaak besneeuwde bergen, die je helaas niet op deze foto ziet), en hellingen van afgeronde rotsblokken aan de andere kant.

De weg baant zich daar doorheen in een feest van bochten.

Het is een landschap om dagen van te genieten, en ik moet mezelf nu, twee jaar later, bijna weerhoude om niet naar mezelf van toen te roepen: "Zoek een hostalletje, blijf hier een poosje rondhangen, bijkomen, uitrusten, rondrijden, de kleine weggetjes verkennen!"

Maar juist als je eigenlijk te moe bent blijf je doen waar je mee bezig bent: rijden, het pijltje volgen...

 

Hier nog zo'n mooi beeld van de fenomenale Sierra de Gredos met z'n landschap van rotsblokken.

Je ziet tegelijkertijd een fenomeen dat voor mij ook heel erg bij Spanje hoort: waar je ook bent, hoe ver je ook bent van de bewoonde wereld, en of je nou op een onverhard pad bent of op en grote weg, altijd zie je, juist op de meest eenzame plekken, mensen lopen. Spanje is een van de dunbevolkste landen van Europa, dus ik snap niet hoe ze dat voor elkaar krijgen, die Spanjarden. Het is alsof er een soort rooster is, dat er voor zorgt dat er op elk moment van de dag, op elke plek in Spanje, iemand aan het wandelen is.

Ik kan niet goed uitleggen wat me er zo aan ontroert. Misschien staat het symbool voor de tijd, die in Spanje nog een bestaansrecht van zichzelf lijkt te hebben. Ik hoop dat dat nog lang zo blijft!

 

Vanuit Burgohondo zijn we verder naar het westen gereden, de AV903 volgend (die verderop de AV905 heet).

Pas wanneer we op de N502 komen, om kwart voor 4, vinden we een plek om te lunchen: Venta del Obispo.

We gaan hier binnen zitten. Lunchtijd in Spanje is zo ongeveer van 2 tot 4. We zijn dus aan de late kant, maar het is niet onmogelijk. We vragen om broodjes, en de baas zegt ons dat we even geduld moeten hebben, omdat ze zelf (aan een tafel in de bar) aan het eten zijn. We zeggen dat dat geen enkel probleem is, dat ze uiteraard rustig moeten eten, maar nog geen twee minuten later staan ze al broodjes te maken.

Die zijn heerlijk. We waren hier echt enorm aan toe!

 

We rijden de N502 een klein stukje naar het zuiden, en slaan dan rechtsaf, de AV941 op.

Hier weer zo'n mooi beeld van langs de weg wandelende Spanjaarden. Ik vraag me altijd af hoe het zit: zijn het mensen die geen auto hebben, en daarom gewoon lopen naar de plaats waar ze moeten zijn?

Het meest waarschijnlijk lijkt me altijd de verklaring dat ze altijd een stuk hebben gewandeld na het middageten, langs deze weg. Dat de weg in de loop der tijd veranderd is van pad voor ezels en karren in een verkeersader doet niet ter zake: ze kiezen niet een van de wandelpaden uit, maar wandelen volgens dezelfde route waarlangs ze als kind na de lunch wandelden, net als hun ouders, hun grootouders, en zo verder.

Of het precies klopt weet ik niet, maar zo stel ik me dat voor. Het zou een Unesco-beschermde gewoonte moeten worden!

 

We komen langzamerhand boven de boomgrens uit. De weg is heel rustig, en bovendien kun je nu ver om je heen kijken. Links steeds de besneeuwde toppen van de Gredos.

De brem bloeit, er zijn af en toe paarse bloemenweiden, en steeds zijn er die rotsblokken, en de weg lijkt voor motorrijders te zijn aangelegd.

 

In Navarredonda de Gredos nestelt een Ooievaar op de kerk. Hij of zij is thuis als we langsrijden.

Het kerkje in kwestie heeft de indrukwekkende naam Iglesia de Nuestra Señora de la Asuncion.

 

Even later rijden we door Hoyo del Espino. Het beeld dat je op de foto ziet stelt een Spaanse Steenbok voor, en wel een ondersoort die alleen hier in de Sierra de Gredos voorkomt.

Ooit zijn we hier met de auto geweest, na mijn ongeluk, toen ik nog niet kon motorrijden, en nauwelijks kon lopen. We zijn toen van hier uit een doodlopende weg de Gredos ingereden. Aan het einde daarvan kon je verder lopen, omhoog, de bergen in. Twee Spanjaarden hebben daar og met ons staan praten en vertelden ons over de Steenbokken. Toen ze weg waren bleven we nog even naar de hellingen om ons heen staren. We hadden al een Waterspreeuw gezien, waar ik al volkomen tevreden mee was, maar even later kregen we zo'n Spaanse Steenbok in het oog, bovenop zo'n rond rotsblok, net als dit beeld!

We zitten hier middenin het toeristische gebied van de Sierra de Gredos, en het is heel erg rustig. Achteraf is het heel duidelijk dat we hier hadden moeten stoppen, een hostal hadden moeten zoeken, en een of twee dagen hadden moeten uitrusten. Die doodlopende weg inrijden en van daaruit naar de Laguna Grande de Gredos lopen bijvoorbeeld.

Dat was hard nodig. Ik heb intussen meer geleerd wat ik nodig heb, na dat ongeluk. Ik hoop dat dat vanaf nu beter gaat!

 

Het enige wat ik mezelf toestond, was even pauze om vogels te kijken. Spanje is sowieso een vogelrijk land, en hier langs de Sierra de Gredos vlogen er voortdurend Gieren en Roofvogels boven ons.

 

Deze Rode Wouw staat perfect op de foto. Het is heel lastig, om vogels in de lucht scherp te krijgen met een simpele point-and-shoot camera!

 

Op deze foto zie je nog eens extra goed die besneeuwde toppen, die je langs deze weg voortdurend in het zicht hebt.

De bergen van de Gredos zijn tot bijna 2600 meter hoog.

 

Ernst zette deze wegwijzer op de foto, en terwijl ik de gevolgde route op de kaart achterhaal, zie ik dat dit een prachtig zijweggetje is, over de Puerto de la Peña Negra, 1909 meter hoog.

Je komt dan uit op een plek van waar alleen maar kaarsrechte wegen vertrekken, dus het is waarschijnlijk het mooist om de weg gewoon heen en weer terug te rijden. Bij deze beloof ik mezelf dat we dat ooit nog een keer gaan doen!

 

De weg door de Sierra de Gredos eindigt in El Barco de Avila.

Daar rijden we langs dit kasteel, het Castillo de Valdecorneja. Het staat op een plek waar de Kelten al een versterkte vesting hadden, die door de Romeinen is overgenomen, en daarna door de Moren tot kasteel is omgevormd. De buitenkant is gerestaureerd; de binnenkant schijnt geheel leeg te zijn.

Wat we wel kunnen zien (en wat helaas op de foto niet goed zichtbaar is), is dat het kasteel vol Ooievaars zit.

 

Bij het uitrijden van El Barco de Avila (waarbij je de Rio Tormes oversteekt) zie je het kasteel uit de omgeving oprijzen, met de besneeuwde toppen van de Sierra de Gredos op de achtergrond. Een erg mooi gezicht!

Wij rijden verder over de AV100, naar het westen.

 

De wegen blijven aangenaam om te rijden, maar ze kunnen uiteraard niet op tegen de afgelopen uren die we in de Sierra de Gredos hebben doorgebracht.

 

Béjar is een redelijk drukke stad met vooral heel veel grote hoogteverschillen, wat het rijden voor mij altijd extra bemoeilijkt: als je sowieso slechts de tenen van één voet aan de grond kunt krijgen moet je, als je moet stoppen, goed in de gaten houden aan welke kant van de motor de grond het dichst bij zit, omdat je de andere kant nooit zult halen.

De Beckers loodsen ons op onnavolgbare manier door het stadje heen.

 

Hier krijg je een mooi beeld van die hoogteverschillen in Béjar.

In de verte loopt, hoog over een dal heen, het viaduct van de A66, de snelweg die van Salamanca via Caceres naar Sevilla loopt.

 

We komen uit op een smal weggetje dat we anders nooit gevonden zouden hebben. Ik heb ook nergens een wegwijzer of iets dergelijks gezien: dit zou ik, wanneer ik een route op de kaart zou hebben uitgezet en die zou proberen te volgen, nooit hebben gevonden.

 

Even later rijden we onder de snelweg door, op een supersmal weggetje. Een groter contrast is bijna niet denkbaar.

Op de achtergrond zie je nog net de Sierra de Gredos.

 

We rijden door licht, laag loofbos, en moeten in de bochten erg op tegenliggers bedacht zijn omdat hier nauwelijks een auto en een motor naast elkaar op de weg passen.

De weg (de DSA 281; de naam van de weg is Antigua Carretera, antieke weg, en dat klopt wel: je hebt het gevoel een enorm eind in de tijd terug te gaan) stijgt, steeds in heerlijke bochtjes.

Tenslotte maakt het bos plaats voor kale rotsen met gras en lavendel enzo ertussen, en tenslotte rijden we bovenop de berg, waar diezelfde kale lichtgrijze rotsen in grote ronde plakken liggen.

Er zijn hier loslopende koeien, schapen, geiten en paarden. Niet alleen tussen de dorpjes maar ook er in.

 

In een van die dorpen, Aldeacipreste, houden we een poosje pauze op zo'n vlakke rots.

Ondertussen zakken de zijstandaards van de motoren door het asfalt: daar moeten we iets onder leggen.

 

Er ligt een oud verroest bord dat aangeeft dat alleen de eigenaar ergens mag jagen, en dat doet nu dienst als extra steun onder de zijstandaard van de R3B.

Rechts van de weg die je hier ziet ligt het dorp: we zitten eigenlijk aan wat je de "green" van dit dorp zou kunnen noemen, met uitzicht op vrijwel alle huizen van het dorp.

Op de achtergrond koeien, die hier volledig zelf kunnen bepalen waar ze lopen. Het is hier voor en koe goed leven!

 

Ook schapen lopen vrij rond. Ze zijn erg nieuwsgierig, en vormen nu de achtergrond van een statieportret van mijn Tenere.

 

Je hoort voortdurend de bellen van de koeien en de schapen. Hier zo'n belhamel (dat letterlijk, heb ik begrepen, slaat op een gecastreerde ram met bel, die de kudde aanvoert. Waarom hij perse gecastreerd moest zijn is me een raadsel).

 

Ook de paarden lopen hier vrij rond. Tegen de avond lopen ze uit eigen beweging naar huis.

Heel mooi hier ook het veulen dat vlak naast z'n moeder loopt.

 

Het asfalt is hier zo zacht dat zelfs de voorband van de R3B in het asfalt gezakt blijkt. Je kunt de afdruk van de band in het asfalt zien.

 

Het wordt langzamerhand tijd om een plek te zoeken om te overnachten: Aldeacipreste biedt niets op dat gebied, en de zon staat al erg laag aan de hemel.

Als we vertrekken komt net een van de (op dat moment 148) inwoners van het dorp, een van de jongeren, op z'n crosser naar huis.

 

Als we verder rijden (via de DSA 261) ligt er los zand op de weg: bochtjes nemen wordt nu op eieren lopen.

 

We komen op een andere weg (de DSA 280), maar daar is het asfalt vrijwel gesmolten, lijkt het: ook hier is het oppassen.

Het landschap is dromerig mooi hier, zo laat op de avond: je ziet voor je berg na berg na berg, steeds lichtblauwer en vager.

 

Waar je naakte aare of rots ziet, kleurt die oranjerood in het avondlicht.

 

En dan zijn er ook nog de bochten! Het asfalt is te zacht, maar de bochten zijn perfect!

 

Dan dalen we af: er is een rivier in zicht, de Rio Alagon.

 

In de buurt van Madroñal is een mirador, een uitkijkpunt, vanwaar je over een enorm gebied kunt kijken.

In de verte zie je de Sierra de Gredos hoog overal bovenuit steken, met z'n witte toppen.

 

Tenslotte komen we in La Alberca, waar we een plek proberen te vinden om te slapen.

Hotel Doña Teresa blijkt erg duur, en de sfeer staat me niet aan (denk: dames die op schildercursus naar Toscane gaan, en nu iets anders hebben gevonden). Dat valt dus af.

Het volgende hostal dat we tegenkomen, dat er perfect uitziet, blijkt out of business.

Hostal La Alberca functioneert nog wel, maar is gewoon dicht.

 

We komen tenslotte, uitgeput, aan bij Hotel Las Batuecas, waar we de motoren opzij kunnen parkeren.

Het hotel is fantasieloos, zowel wat de buitenkant betreft als wat de kamer betreft, maar we hebben een plek.

 

We maken een avondwandeling door het stadje. Het is een heel bekend dorp in Spanje, met een helemaal bewaard gebleven Middeleeuwse kern. Je ziet er ook werkelijk nog oude mannen op ezels rondlopen, maar op de een of andere manier krijg je de indruk dat ze door de plaatselijke VVV worden betaald.

De Middeleeuwse huizen zijn prachtig: de huizen zijn van een soort vakwerk, met de onderste verdieping van steen, en die daarboven van houten vakwerk, overstekend.

Elk huis lijkt wel een winkel met jamon, maar alles is al dicht (wat vreemd is: het is nog maar negen uur). We zijn hier buiten het weekend en buiten de vakanties, en dan merk je dat het dorp dood is: het is een dorp dat alleen leeft als er voldoende toeristen zijn, en dat stemt op de een of andere manier droevig.

 

Wanneer de paar barretjes die nog open zijn afgekeurd zijn door Ernst (hij heeft meestal een goed gevoel voor wat wel of juist niet zal bevallen, maar in een dorp als dit wordt zijn kritische blik nog kritischer en komt niets meer door de ballotage) gaan we tenslotte maar in het hotel eten.

De bediening is extreem slecht: we moeten heel lang wachten op een bordje salade, en dan wordt tegelijkertijd Ernst z'n hoofdmaaltijd gebracht en moet ik dan maar later in m'n eentje mijn hoofdmaaltijd eten.

Het is tien uur, maar ze zijn alles al aan het afruimen. De fles wijn die wordt gebracht is al open en wordt zo op tafel gezet, en na een kwartier wordt er toch maar een emmertje met ijs gebracht. Het brood is oud en niet lekker, hopeloos...

Het eten smaakt wel goed, moet ik toegeven: Solomillo de cerdo iberico, varkenshaas van het Iberisch varken (van de allerbeste hammen van Spanje, jamon iberico).

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: