Zee, zand en ver in zee uitstekende rotsen
Playa Monsul bij San Jose in Cabo de Gata

Almeria - La Isleta del Moro

Na een ontmoeting in Almeria rijden we naar de Cabo de Gata.

Uitzichten, glasheldere zee, zoutmeren met vogels, betoverende stranden, onverharde wegen, en een hotel in vissersdorp La Isleta del Moro, het eilandje van de Moor.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

Maandag, 13 mei 2002

Ontbijt in de bar bij het hotel. Tostada's (grote stukken geroosterd stokbrood) met mantequilla (boter) voor mij, met jamon (ham) voor Ernst, koffie, en zumo de naranja (sinaasappelsap, altijd vers geperst in Spanje, appelsientje bestaat hier niet).

Drie Spanjaarden aan het andere tafeltje, die er, zoals Ernst opmerkt, Moors uitzien: je waant je hier zo 1000 jaar terug. Twee Spanjaarden aan de bar, een Spaans moeke aan het derde tafeltje.

Er komt een zwaar verouderde, naar de Douglas ruikende blonde Dollie binnen, met een echte onvervalste viswijvenstem. Het moeke en één van de bargasten zitten elkaar een beetje te stangen, en de drie aan het tafeltje en de andere aan de bar ook.

Wanneer ze hun ontbijt ophebben draait één van de "Moorse" Spanjaarden zich om, en vraagt: "Zijn jullie Nederlands?". In het Nederlands dus!
"Ik ken jullie ergens van, maar ik weet niet waarvan", gaat hij verder, als we verbaasd ja hebben geantwoord.

Dat geldt voor de anderen ook, zeggen ze. Sommigen kennen Ernst en mij beide, de rest alleen Ernst.
Eén woont in Rotterdam, zo blijkt, één in Rodenrijs, en de anderen wonen daar ook in de buurt. Eén heeft een dochter op school in Delft, en vraagt of Ernst soms leraar is.

Als ze tweetalig zijn, Spanjaarden, is die tweede taal vaak Nederlands ;-)

En zo worden we "Goede reis", gewenst, in het Nederlands, en zeggen wij Adios terug.

 

Op het plattegrondje in de Lonely Planet heb ik intussen de Avenida Cabo de Gata gevonden, en ik wijs Ernst aan hoe we daar moeten komen. De straat die diagonaal door het verder rechthoekige stratenplan van het oude centrum loopt door, tot je op de Ramblas uitkomt, en daar vrijwel direct naar links, naar het oosten.

Ik ben opgestaan met een enorme koppijn vanochtend, dus moet het maar een lekker rustig dagje worden, en Ernst mag ons de stad uit loodsen.

*Red. De stad blijkt een stuk minder erg als de boekjes deden vermoeden: het is een mengelmoes van oude en nieuwere gebouwen, en heel veel levendige mensen, helemaal niet de depressieve toestand die je zou denken als je de boekjes zou geloven.
Bij het stoplicht naar de Avenida Cabo de Gato word ik letterlijk aangeklampt door een heel oud baasje, die in het Spaans een heel verhaal begint dat ie het mooi vindt en dat ie zelf ook een BMW heeft gehad van wel 1000 cc ! Het Spaans verstaan gaat steeds beter als je er weer een tijdje bent gelukkig, alleen dat praten he, dat wil maar niet lukken, dat word steeds weer Italiaans ;-(

De weg loopt nog lang door de outskirts van Almeria, met vervallen flats, bars en viswinkels.

 

Eenmaal uit de stad zien we rechts de zee, met rechts voor ons de bergen van de ver in zee uitstekende Cabo (kaap) de Gata , en links zover het oog reikt kassen van plastic : Almeria is het centrum van de plasticcultuur, waar onder andere tomaten in snel tempo tot rijpheid komen.

Voor dat plastic was het hier de allerarmste streek van Andalucia, dat zelf weer de allerarmste streek van Spanje was, dus dat ze meer waarde hechten aan wat het economisch opbrengt en minder aan wat er landschappelijk niet helemaal jofel aan is kan ik me wel voorstellen.

Eigenlijk is dit misschien ook wel een veel mooiere manier om de Cabo de Gata (een webcam met onder andere soms het beeld van de Cabo)te benaderen dan die ik eerst in mijn hoofd had, waarbij we via de verschillende Sierra's direct het nationale park zouden binnen rijden en die hele plasticcultuur niet zouden tegenkomen. Nu is het contrast des te groter.

*Red. En dan te bedenken dat die plastic cultuur een stukje hollandse kennisexport is ;-(((
Wat een landschappelijke ramp al dat viesgeel lichtgroenige en geelbruinige cheapshitplastic. Daar zouden ze toch iets op moeten vinden dat het er niet als zo'n olierampenplan uitziet, maar goed de mensen hier moeten ook leven, en daar hebben wij als toeristen niet te veel op aan te merken eigenlijk.
Maar aan de rand van de plastic cultuur heb je toch een mooi zicht op de Cabo de Gato rotsformatie die heel luguber uit de mist die op het water dampt oprijst, de beelden van piraten die hun buit daar in de rotsholen verbergen waar ze eerst met valse vuren de koopvaardijschepen op hebben maten lopen beginnen helemaal de leven.

Als de weg van de zee wegdraait rijden we precies op de grens van het nationale park: links plastic, rechts leeg, vrij vlak, droog, met aloe vera's (een soort agaves) als voornaamste beplanting.
Verderop is ook links het nationale park, en ziet het er links net zo uit als rechts.

 

Op een gegeven moment rijden we een heuvel op, weer omlaag om een ramblas over te steken, en weer omhoog, door een echt woud van bloeiende en uitgebloeide, dode en levende aloe vera's.

In het nationale park mag geen nieuwe plasticcultuur worden aangelegd, en wat er nog staat zal op den duur verdwijnen, als de eigenaar overlijdt, want als je grond koopt of erft hier mag je die niet meer op een andere manier gebruiken dan de bedoeling is in het park.

 

San Miguel de Cabo de Gata ligt binnen het park. Het is een vissersplaatsje met van de weg af te zien voornamelijk nieuwe witte huizen.

Aan het strand een Moorse toren (althans, zo ziet het eruit: ik lees later dat het een wachttoren uit de zestiende eeuw is), waarin de Guardia Civil is gehuisvest. Daarnaast vissersboten.

Een kaarsrechte weg loopt langs het strand naar het oosten, met in de verte het kerkje van La Almadrava de Monteleva, een visserdorpje met bar, hotelletje en pizzeria. Het kerkje steekt af tegen de immensen Cabo de Gata, die nu een stuk dichterbij is.

 

Voor het kerkje, links van de weg, de Salinas de Acostar, zoutmeren. We rijden een onverhard pad op, zetten de motoren neer waar het pad ophoudt, en lopen verder tot waar de vogels zitten, tot bij een schutting van riet.

Bij nadere inspectie van die schutting zitten we aan de verkeerde kant van een vogelobservatiehut. We moesten ons al zo raar moeilijk langs die schutting wurmen om een kanaaltje (prop- en provol met kleine visjes) over te steken ;-)

*Red. We zijn weer een typisch geval van domme toerist, hebben ze daar zo'n mooie vogelhut neergezet (uiteraard zonder enig bordje erbij dat die er staat) in een rieten omschutting die precies het pad afsluit naar wat ik denk dat de vogelhut wel zal zijn op het midden van dat pad tussen twee zoutmeren. Al snel heb ik door door de zachtmopperende geluiden vanachter het "riet" dat we niet verder moeten, en daar op het bruggeteje mogen we kennelijk gewoon blijven zitten met de kijkers in de aanslag ;-)

 

Er zitten flamingo's, die van zoutmeren houden, en er zijn kluten en steltkluten : vogels op respectievelijk hele hoge dunne pootjes en absurd hoge dunne pootjes. En verder allerlei steltlopertjes. Bonte strandlopers kan ik er tussenuit halen, die hebben een zwarte vlek op hun witte buikje, maar verder is er allerlei bruins, en heb ik teveel hoofdpijn om precies te kijken wat er allemaal zit, of het snaveltje net een beetje krom is of niet, of dat er een vaag oogstreepje te zien of niet en dat soort hopeloze kenmerken.
Wie weet heb ik wel een hele zeldzame Krombekstrandloper gemist!

Bij gebrek aan fototoestel met telelens hier bloemetjes...

 

Als we weer zijn opgestapt rij ik zelfs nog van een heuveltje af: mijn eerste offroadervaring van deze vakantie is prima verlopen ;-)

 

Na La Almadrava de Monteleva (echt waar die naam: groter dan het dorpje zelf) gaat de weg in vele kronkels omhoog, om de hoge kaap te beklimmen, wat steeds fantastische uitzichten oplevert. De hele Cabo de Gata is vulkanisch, wat grillig gevormde, soms pikzwarte rotsen oplevert, in zee en hier en daar naast de weg.

Bij het hoogste punt staat een bus met Spaanse toeristen, maar er zijn zat plekken over om van het uitzicht te genieten.

De bergen van de Cabo de Gata zijn voornamelijk kaal: het is hier één van de droogste plekken van Europa. Hier en daar groeit een prickly pear (schijfcactus), of andere vetplanten, en op de wat beschuttere plekken groeien palmen (lage: geen cocospalmen).

 

De zee is groenblauw, en de grillig gevormde kust steekt daar in uit, met hier en daar rosten die als eilandjes uit het water opsteken.

De kale rotsen zijn soms zwart, soms met mineralen gekleurd: paars van de mangaan, of geel (zwavel) of oranje (ijzer). Als je je in dat geheel een smal lint van asfalt voorstelt, dat met haarspelden naar boven en beneden kronkelt, dan heb je het zo'n beetje voor je.

Met helder weer kun je hier Afrika zien (veel verder weg dan bij Gibraltar), maar zo helder is het vandaag niet.

*Red. Maar het water is wel helder, absurd helder, alleen het groenblauw effect van het water voorkomt dat je verder dan 10 meter naar de bodem kunt kijken. Je ziet de rotsachtige bodem gewoon door het water heen, een hele vreemde ervaring, je ziet de vissen zwemmen, zelfs vanaf die best hoge rotsen.

De vuurtoren staat niet op de hoogste plek, maar op de punt van de kaap die het meest zuidelijk ligt. De weg gaat na de vuurtoren door, weer omhoog, en passeert een paar buitenhuizen (verder hebben we na dat vissersdorpje geen huizen gezien hier). De mooiste ligging die je je maar kunt voorstellen natuurlijk, maar toch bedenk ik me dan meteen hoe ik zou vloeken als ik thuis zou komen en zou bedenken dat ik het wc papier vergeten ben bij Albert Heijn...

Tenslotte eindigt de weg bij iets onduidelijks meteorologisch, op een smal, erg steil weggetje, waar ik de motor niet gekeerd krijg, zodat Ernst weer eens redder in de nood kan spelen (die rol ligt hem veel te goed).

 

Een stukje terug is een pad dat verder langs de kust loopt, naar San José, maar dat is afgesloten met een hek. Er is net een 4x4 van het nationale park naar binnen gereden, en ze hebben het hek net weer op slot gedaan.

Ik rij naar het hek, en loop door de opening (niet breed genoeg voor een motor; net voor een wandelaar) naar ze toe, om te vragen of we door mogen met de motor.

Helaas, dat mag niet, antwoorden ze: wel van hen, zij vinden het prima, maar de Guardia Civil vindt dat het niet mag. Teveel auto's of motorrijders de zee ingestort blijkbaar...

We moeten dus terug helaas, hoewel, helaas?....: het weggetje omhoog en omlaag langs de kaap is op de terugweg minstens even mooi.

Een stuk voorbij San Miguel de Cabo de Gato is een afslag naar rechts, daar kun je binnendoor bij San José komen. Je bent daar weer uit het nationale park, en dus tussen het plastic. Rechts is het bandentestcentrum van Michelin trouwens, op de kaart te zien als een grote ovaalvormige weg zonder plek om er op te komen ;-)

*Red. Na die rare ovaal op de kaart te hebben gezien denk ik nog aan een of ander nucleartestcentrum, maar hier worden dus de rubbermolecuultjes aan ultracentrifugetesten onderworpen, het zal wel speciaal voor de desert banden enzo zijn, ooit toch eens een kijkje nemen, ook al heb ik nog nooit van die gevoelloze michelinbanden heb leren houden.

 

Na het punt waar je linksaf naar Nijar kunt rij je het nationale park weer binnen: geen plastic meer. Vanuit de vlakte rij je nu weer de bergen van de Cabo binnen, via Pozo de Frailes , een wit dorpje, naar San José .

Onderweg is te zien dat de prickly pears op terrassen groeien: die worden hier dus geteeld vanwege de vruchten!

San José is vrijwel geheel op de toeristen ingesteld: 175 bewoners, met plaats voor een paar duizend mensen, maar het is helemaal in stijl gebleven met het witte vissersdorpje wat het ooit was.
Steile kromme straatjes, een hoofdstraatje met souvenirwinkels, hotelletjes, bars, restaurantjes, en huizen te huur. We dwalen er doorheen, en komen op een onverharde weg uit: het andere uiteinde van de weg langs de kaap die we niet op mochten.

We rijden die weg in, en na een stenige heuvel-op-heuvel-af rit blijkt dat je tot aan twee stranden kunt rijden: vlak daarna is weer een hek (later blijkt, met een blik op een gedetailleerde kaart, dat dat hek maar een paar honderd meter van het eerste hek af ligt: we hebben het grootste gedeelte van dat pad dus toch kunnen rijden).

 

Ernst kiest uit het Playa de los Genoveses en het Playa de Monsul het laatste, wat volgens een later gekocht gidsje het mooiste strandje van de hele Cabo de Gata is. Er is een zand-parkeerplaats met een vreemd mysterieus bouwwerk: ongetwijfeld ooit ook de één of andere uitkijktoren.

 

Het Playa de Monsul is een halvemaanvormig strandje tussen zwarte rotsen, met een eenzaam zwart rotsblok half in zee.
De zee heeft van de zwarte rotsen de onderkant ver weggeslepen, zodat je overal onder een overhangende zwarte schaduwgever kunt zitten.

Het is er niet druk. Er zijn wat mensen met helemaal niks aan, wat mensen met zwembroeken en bikini's aan, en dan heb je ons nog, die als echte Duitse motorrijders geheel in leer gekleed rug aan rug vlakbij de zee zitten. Het waait een beetje, zodat het in dat leer prima toeven is.

Het geluid van de golven doet de hoofdpijn verdwijnen, en zo zitten we daar naar de golven te kijken. Dit is zo'n beeld wat bij je blijft, wat je naar boven kunt halen als het regent, buiten of binnen.

 

Weer terug over het stenige pad naar San José (op de terugweg kwamen we trouwens nog de auto van het nationale park tegen die vrolijk zwaaiden), en dan een stukje terug over de weg die ons hier bracht, en dan rechts richting Los Negros, door de kale bergen, waar vroeger goud en zilver en ander metaal werd gedolven, en dat zie je aan de kleur van de rotsen.

 

Rechts Los Escullos, met volgens het bordje een camping met compleet toeristenpark, en een oude vesting aan de kust, en dan, een eindje verder, rechts La Isleta del Moro , het eilandje van de Moor.

Daar gan we naar toe. Een vissersdorpje, met wat nieuwbouw (ook witte huizen, maar dan in serie), deels in aanbouw, maar alles bij elkaar erg klein.

*Red. De laatste nieuwbouw huizen zijn gelukkig steeds net iets anders en voorzien van wat neo-moorse vormgeving zodat het hier toch een beetje authentiek blijft, alleen hoog boven het dorp staat een rijtje "hollandse" nieuwbouwwijk, wat vreemd toch dat juist de sobere eenvormigheid van zo'n rijtje zo'n catastrofale invloed op je beeld van een dorpje heeft, gelukkig is het dorpje zelf wel geheel en al individualiteit ;-)

We rijden naar beneden, naar een pleintje vlak voor de zee, met een wasplaats, en het hotel La Isleta del Moro, aan zee, naast een pier. Het hotel is dicht, blijkt. We stappen af, en lopen langs het hotel tot aan de pier, en zien dan mensen op het terras zitten, aan de zeekant van het hotel.

Verder rijden dan maar? Ik klop voor de zekerheid op de deur (die zich aan de andere kant van de zee bevindt, tegenover de wasplaats), en ik hoor stemmen binnen. Nog een keer kloppen levert een klein meisje op, dat op mijn "hostal esta abierto?" antwoordt dat het inderdaad open is, en dat ik om moet lopen via de andere kant als net, en dat ik daar naar binnen kan, via de bar.

Daar blijkt het vol mensen te zijn, met zelfs een heuse receptie, en er is een kamer voor 2 nachten, con vista al mar!

 

De kamer heeft twee aparte bedden, maar is groot, heeft een bad, en een balkon van waar je op de pier kunt uitkijken, de zee, het eiland van de Moor links (de ver in zee uitstekende rotspunt met losse rots daarvoor), en schuin rechts aan de overkant de baai van Los Escullos met de vesting. Onder ons het terras en restaurant van het hotel.

 

Vissersbootjes op zee, en af en toe een visser die er in een roeiboot naar toe roeit. Af en toe lopen er wat toeristen de pier op, je hoort gezellig geroezemoes uit de bar, de vissersvrouwen zitten te kletsen op een muurtje, een visser zit op een stoeltje met een verrekijker in het rond te kijken (zowel Ernst als hij voelen zich betrapt als ze elkaar -beide met verrekijker- aankijken), hier kun je de tijd wel doorbrengen, op je balkonntje.

 

*Red. Ja hier zie ik me nog zitten over 50 jaar, helaas is Syl weer veel te onrustig...

 

We maken een wandeling door de straatjes van het dorp, en komen uit op het strand van La Isleta, aan de andere kant van het eilandje van de Moor.
Bovenaan het strand een vlak stuk, waar een aantal Duitse campers staan.

Een lage rots overklauteren, en je komt op een keienstrand. Het keienstrand overstrompelen en je komt bij een hoog oprijzende kaap, begroeid met taai gras en wat struikjes. Er loopt een pad omhoog, dat we volgen. Het begint te schemeren, en dan loop je daar in de leegte.

 

Het pad volgt de kust, maar wij dalen naar links af, waar in het dal een palmenbos is, omzoomd door een cactushaag. Die haag loopt niet helemaal door, en zo kunnen we het palmenbos binnenlopen.

Het blijkt in terrassen te zijn verdeeld, de palmen staan er heel regelmatig op. Ook deze palmen worden dus geteeld. Op de één of andere manier lijkt het alsof deze palmenplantage in de steek is gelaten, maar misschien is de rommeligheid wel normaal..

Hier en daar sporen van een vuurtje. Daar is het nu veel te droog voor, maar het is een prachtige kampvuurplek in vochtiger tijden. Ook een fantastische plek om te kamperen trouwens.

 

We komen zo'n beetje bij de Duitsers uit.

*Red. Waar nu ook de HullyGullybus van de Nederlanders die ons "klem" zetten op het Playa de Monsul nu ook staat, de wereld is echt te klein. :-)

 

Eten in het restaurant van het hotel, met allemaal medebuitenlanders. de ober straft iedereen die doet alsof hij goed Spaans spreekt af door extreem snel en extreem binnensmonds te antwoorden, en staat zich verder stierlijk te vervelen: sigaretje roken, knopje van pen steeds maar weer indrukken en daar uiterst geïnteresseerd naar staan te kijken enzo. Maar hij is wel echt aardig.

We hebben een halve fles witte wijn besteld, die op de kaart stond, maar een menukaart in Spanje is meer een soort vage aanwijzing voor wat er misschien is. Als je iets anders wilt eten kun je dat altijd vragen: hebben ze de ingrediënten dan wordt het gemaakt; dat vindt niemand vreemd.

De halve fles brengt hij in de vorm van een hele fles: ze hebben geen halve flessen, maar als we de helft opdrinken betalen we ook maar de helft ;-)

Dienstverlenen ligt Spanjaarden niet echt. Waar 99% van de Amerikaanse obers alle energie steken in het de gast zoveel mogelijk naar de zin te maken (en niet alleen maar vanwege de fooi), zien Spaanse obers hun werk meer als het af en toe dragen van volle of lege borden: gewoon werk dat gedaan moet worden, maar verder weinig met de gast van doen heeft.

Gastvrij: jazeker, maar dat geldt voor de eigenaren van een bar. Daar kom je ook echt bij iemand thuis als het ware. Maar je moet niet verwachten dat ze de plicht hebben je van dienst te zijn omdat jij degene bent die betaalt. De rol van ober is een moeilijke, voor Spanjaarden, het ligt te dicht bij "bediende" zijn. En eigenlijk vind ik dat heel erg leuk. Respect is het toverwoord om vrienden te worden met een Spaanse ober.

Slapen met het mooiste uitzicht ter wereld binnen handbereik.

*Red. In weer twee hopeloos alenige bedden, keihard...

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: