Zon op weg die de bergen in de verte in slingert
Sierra de las Enstancias

l'Arboc - Almeria

Langs de kust rijden we verder naar het zuiden, en krijgen zo een glimpje te zien van het strandtoerisme hier.

We buigen af, het binnenland in, door de Sierra de las Estancias en de Sierra de las Filabres, die ongelofelijk mooi zijn voor op de motor.

Tenslotte eindigen we in Almeria.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

Zondag, 12 mei 2002

Ernst heeft het de volgende ochtend nog steeds koud. Buiten is er een stralend blauwe lucht, zoals elke ochtend, maar de zon schijnt nog niet naar binnen in onze kamer.

Hij blijft nog even in bed liggen, in de hoop op warmer worden, maar ik ga alvast naar beneden: het is al half tien, en ik ben bang dat het desayuno, het ontbijt, is afgelopen als ik langer wacht.

*Red. Ja echt superklote die hotelletjes met twee bedden, zouden al die andere relaties echt zo beroerd zijn dat ze niet bij elkaar in bed willen ??? Ik kan gewoon niet warm worden in een eenzaam bed, shit wat een afhankelijkheid eigenlijk, heet dat nou commitment ?

De drie voor het ontbijt ingerichte tafeltjes zijn allemaal bezet, en als ik rond sta te kijken waar ik dan kan gaan zitten word ik door een Spanjaard, die in zijn eentje aan een vier-persoons tafel zit, uitgenodigd aan zijn tafel plaats te nemen en daar mijn ontbijt te nuttigen.

Er ontstaat een gesprekje, waarbij hij slijmt dat ik zo goed Spaans spreek, wat ik uiteraard ontken. Maar het leuke is dat hij daarna echt zijn best doet om mij Spaans te leren: "Hollanda es un pays bajo", en dan wijst hij met zijn hand een meter boven de grond aan: "el mar", de zee, en dan wijst hij naar de vloer: "Hollanda". En dan zeg ik het netjes na ;-)

En om te laten horen dat ik het heb begrepen: "La Sierra Nevada es alto", hoog dus.

Hij spreekt Castilliaans (wat wij Spaans noemen dus), Catalaans (spreken is in het Castilliaans hablare, en parlare in het Catalaans; Catalaans ligt veel dichter bij Frans en Italiaans), en een klein beetje Duits, maar dat gebruikt hij alleen maar als we er echt niet uitkomen, wat nauwelijks voorkomt doordat hij zo geduldig in het Spaans uitlegt wat hij bedoelt.

Op de één of andere manier krijg je de indruk dat Spanjaarden, net als Fransen trouwens, veel meer waarde hechten aan zinnen die "mooi" klinken dan wij, dat het bij het kletsen er ook om gaat hoe het klinkt. Daarom hebben ze er ook een veel grotere hekel aan dan wij om zich uit te drukken in een taal die ze niet goed machtig zijn (en waarderen ze het zo enorm als je dat toch stuntelig probeert).

Daarbij komt in Spanje natuurlijk het feit dat verreweg de meeste Spanjaarden echt geen andere taal kennen dan Castilliaans en de taal van hun eigen streek (behalve Catalaans heb je natuurlijk het Baskisch dat totaal anders is, en de taal rond Valencia die ook officieel erkend wordt (tweetalige plaatsnaambordjes enzo), en verder klinkt het Spaans uit de Pyreneeën echt heel anders dan dat uit Andalucia).

 

Inmiddels is Ernst er ook bij komen zitten. De man heeft in Duitsland gewerkt en gewoond, eerst in een fabriek waar hij tussen alleen andere Spanjaarden werkte; later tussen Duitsers, en toen heeft hij Duits geleerd.

*Red. Ja da's toch weer heel typisch aan mannetjes, gelijk denk ik, wat mot die vent bij mijn moppie aan tafel, gaat weg engerd ;-)
Maar zoals zo vaak moet je je niet door je instincten laten leiden maar eerst alle kanten van de zaak bekijken, en al snel blijkt dat hij niet aangeschoven is, en ik weer nodeloos jaloers aan het wezen ben. Het word een heel geanimeerd gesprek waar ik met mijn duits ook wat meer leer begrijpen van dat Spaans, toch wel makkelijk als je ook in een vertrouwde taal kunt communiceren, ook al lukt het met handen en voeten altijd ook wel, mis je dan vaak de nuance.

We hadden extra dekens uit de kast kunnen halen, legt hij uit. Stommelingen die we zijn!

De baas van het hotel is een vriend van hem, van vroeger: hij is hier opgegroeid.

Aangename Spaanse lessen bij het ontbijt, de dag begint perfect.

Wanneer we wegrijden worden we uitgezwaaid door onze leraar, de baas, zijn vrouw (die de eigenlijkke chef is, volgens onze leraar) en hun zoontje.

In de tuin tegenover het hotel tegen een muur aan een grote fontein, helemaal betegeld: we zijn weer in tegeltjesland!
Op de foto de Giraldilla van l'Arboc , een schaalmodel van de Giralda in Sevilla .

*Red. Bij het wegrijden worden we door de hele Crew uitgezwaaid inclusief het mannetje op zijn driewieler, Bon Viago, hoe kan het nog

 

Op weg naar de kust, naar de superblauwe Middellandse Zee, naar Tarragona en verder. De N340 rijdt heerlijk: leeg, af en toe snelweg, dan weer een gewone weg door dorp of stad.

*Red. Ja heerlijk als het asfalt zich aanpast aan de omgeving en de natuur zich weer meester maakt van de bitumeuze deken.

Dorpen als "Miami Platja", met Franse campings en restaurants, "Wir sprechen Deutsch", en "English menu" overal.
Hostals in verval, ooit goed genoeg maar nu ingeruild tegen moderne torenflats dichter bij de zee.
Campings ter grootte van heel Delft, discotheken met veel roze neon, en dan daar tussendoor gewone Spaanse huizen en kerkjes. Ik had nooit gedacht dat het zelfs leuk zou zijn om langs de kust te rijden.

Ernst wijst links van de weg: een grote verzameling zilverreigers en koereigers. Even later steken we de Ebro over: links van ons ligt de Ebrodelta , wat vogels betreft een soort Camargue (de Rhôhnedelta), alleen erg geïndustrialseerd. maar de meeste vogels trekken zich daar weinig van aan, het is nog steeds een vogelparadijs hier.

*Red. Even verder zien we een helemaal verlaten strand, echt prachtig goudgeelstrandzand, enige nadeel, een grote fabriek erop...

 

Verder, dan weer vlak langs de zee, dan weer meer het binnenland is. Af en toe recht, af en toe bochten. Precies op het juiste moment een McDonalds, met een Oostenrijkse R1150GS waar wij de onze naast zetten: drie Touratech tanktassen op een rij.

De kilometers op de tellertjes draaien maar door: Castellon , Sagunto (waar de ene na de andere "Gres"-fabriek, Spaanse vloertegels, staat, echt in enorme hoeveelheden), en dan Valencia.

 

We rijden daar zowaar in één keer goed doorheen, en zitten dan weer op de N340, naar Albacete en Alicante, wat betekent dat we wegdraaien van de Middellandse Zee. De N340 is nu voortdurend snelweg, maar er zijn zelfs hier af en toe mooie bochten door de bergen.

Er af, de N344 op, bij la Font de la Figuera, door een landschap van heuvels met olijfbomen, druiven, sinaasappels, citroenen, en allerlei andere vruchtbomen die ik niet kan determineren.

Na Yecla omhoog, over de Puerto de Jumilla (puerto staat voor pas), en ergens na Jumilla vinden we een bar-café-restaurant-hostal-venta de vinos y aceita (verkoop van wijn en olie) in het niets, met een flink aantal auto's en vrachtwagens op de enorme parkeerplaats.

Binnen in de bar vind je de essentie van het Spaanse lawaai: alles is zo gebouwd dat het galmt. Zelfs als de barman een glas neerzet is de ruimte al gevuld met lawaai. De tv staat aan, hard. De radio staat aan, ook hard. De mensen aan de bar en aan de tafeltjes proberen daar bovenuit te komen (Spanjaarden praten erg graag), en de mensen die, zoals ik, een bestelling doen, moeten tegen dat alles en de weergalm daarvan, op proberen te boksen.

Al ben je helemaal alleen in zo'n bar, het klinkt er altijd alsof het vol is, dat is het idee ;-) Zo is het in elke bar, maar deze heeft het wel heel erg mooi voor elkaar ;-)

De lange bar wordt voor een groot deel ingenomen door bakken met tapas, voornamelijk vis en garnalen en dergelijke, zie ik als ik er langs loop. De Spanjaarden doen zich hier dan ook in hoge mate tegoed aan die tapas, met wijn erbij uiteraard, of bier. Niemand heeft hier bezwaar tegen minimaal een halve fles wijn per persoon voor het rijden, en een hele fles is ook heel normaal.

Ernst zal, wanneer we zijn opgestapt, een plekje zoeken waar we ook nog even in stilte kunnen bijkomen van de grote hoeveelheden kilometers die er onder onze banden zijn doorgerold, maar we rijden door een onafgebroken aaneenschakeling van boomgaarden, zonder plekjes om te stoppen.

*Red. Ik zie nog een prachtig plekje waar een stuk van de berg naar beneden is gegleden en zo een mooie schaduwkuil vormt, maar ondanks dat het wemelt van de paden, is het bereiken daarvan alleen mogelijk door een meter naar beneden van de weg af te ploffen, maar *hoe* kom je dan weer terug met die loodzware krengen ?

 

En zo komen we weer bij de snelweg, de N301, richting Murcia, en vandaaruit, bij Murcia, op de N340, ook snelweg, richting Granada en Almeria.

Bij Lorca indrukwekkende kale bergen voor ons, met een enorm kasteel er op (onderweg hebben we trouwens al veel ruïnes van kastelen gezien). We rijden recht op de rood-oranje loodrechte wanden van de bergen af. Ik begin me al af te vragen hoe de snelweg daar overheen komt, als er een tunnel verschijnt.

Na de tunnel rijden we een heel stuk door deze gele, oranje en rode bergen van de Sierra del Viento.

 

In de buurt van Puerto Lumbreras is er een benzinepomp, een klein stukje van de snelweg. Daar gaan we, na het tanken, met de kaart erbij in een boomgaard zitten. Olijfbomen, dacht ik, maar het blijken amandelen te zijn. Een zwarte, gebarsten stam als van een parasolden, groene langwerpige bladeren, kromgroeiend als een olijfboom of een aan de eigen wil overgelaten appelboom, en overal vruchten in grijsgroene harige jasjes, die tot amandelen zullen uitgroeien (het jasje wordt de dop).

 

 

We kunnen kiezen tussen doorsjezen en vanavond aan de Cabo de Gata slapen, of binnenkort van de snelweg af en door de Sierra de las Estancias, de Sierra de las Filabres, en de Sierra Alhamilla langzaam op ons doel afrijden, vannacht ergens langs de route overnachten, en dan morgen de kust van de Cabo de Gata exploreren en iets leuks uitzoeken om een dagje te blijven. De keuze is duidelijk.

 

We rijden een stukje door Puerta Lumbreras (de stad is naar de pas genoemd), en nemen dan de N342, de snelweg naar Granada, tot de afslag naar Velez Rubio .

Hoe het kan snap ik nog steeds niet: de afslag 408 had ons op de AL8901 moeten brengen, via de Puerto de Santa Maria de Nieva, naar Albox ,

 

maar we komen uit op een weggetje dat niet op de kaart staat, bocht na bocht, geel van de brem en andere bloemen,

 

groen van het graan op de akkers, van fruitbomen hier en daar,

 

en heel verspreid witte huisjes.

 

Het uitzicht is na elke bocht weer anders:

 

een groter contrast met de snelweg is niet mogelijk.

 

We komen uit op een T-splitsing (waar ik merk dat de weg niet klopt met waar ik dacht te zijn), en kunnen linksaf naar Albox via de AL842: zelfde eindpunt, langere route.

 

De weg klimt.

 

Links het klooster van Saliente, een groot gebouw met ronde torens, tegen de berg aan.

 

Saliente, een dorp met verspreid liggende witte huizen met terrassen met fruitbomen.

 

We rijden naast een droge rivier, en steken die steeds maar weer over via een betonnen plaat in de rivier. De naam voor dit soort droge rivieren, die maar heel soms water bevatten, is Ramblas: hetzelfde woord als bijvoorbeeld de Ramblas in Barcelona, de plek om te flaneren. Zo'n Ramblas bij een dorp is altijd de plek geweest om 's avonds langs heen en weer te lopen.

 

De bergen groen, de huisjes wit,

 

en een weggetje met steeds maar weer bochten.

Tenslotte verschijnt daar, vanuit het niets, een stadje, Albox. Je snapt hier niet waar zoveel mensen van kunnen leven, maar kennelijk lukt dat.

 

We rijden het stadje van witte huizen in, en stuiten dan op een stoplicht bij een smalle steeg. Omdat er geen twee auto's naast elkaar passen natuurlijk.

We wachten even, maar besluiten dan dat het stoplicht vast niet op motoren reageert, en rijden door. De steeg eindigt op een T-splitsing. Links een steeg met trappen, dus dan maar naar rechts. Dan moeten we weer naar links, steeds via een heel smal steegje, en daar zien we het andere stoplicht, met een rij auto's er voor wachtend. Dat zou inderdaad onmogelijk worden hier, om die achteruit te laten rijden om elkaar te passeren, en eerlijk gezegd was het ook erg krap geworden met ons ;-)

*Red. En dat stoplicht zag er zo half scheef hangend met zijn kopje toch echt uit als een of ander vreemd soort statussymbool van de buurt was, zo van wij hebben ook een stoplicht om de vooruitgang te vieren...

 

Tenslotte komen we bij de A334 uit, die oost-west loopt (waarbij we ook nog de weg tegenkomen die we hadden moeten hebben: die bestaat dus echt, heel vreemd), die we een klein stukje naar het westen moeten volgen om dan weer naar het zuiden af te slaan, via de C3325 naar Almanzora, de Sierra de los Filabres in.

 

Na Albanchez gaat het echt de hoogte in, en zijn er geen boomgaarden meer, alleen nog maar gele bloemen, en zo rijden we via haarspeldbochten de Puerto de la Virgen Maimon over, en verder door de bergen.

 

Ik zie een aantal keer een Steenuiltje op een telefoondraad zitten, en net als de andere keren draaien ze hun kopje helemaal mee om ons te bekijken. Soms vliegt er ook een uiltje, een soort miniatuur humpback-van-de-notre-dametje, met stompe ronde vleugels. Niet te fotograferen: ter compensatie een agave.

 

Onderweg iets waar marmer wordt gewonnen. De kleine stipjes in het wit zijn enorme kippers, ter grootte van een Nederlandse eensgzinswoning, om een idee van de afmetingen te geven.

 

In Uleila wordt het tijd om te gaan eten, beslissen we. We vragen in een bar of ze iets te eten hebben, en zo zitten we daar ham en gebakken eieren en patat en tomatensalade te verorberen, met een glas bier erbij. Af en toe komt er iemand uit het dorp langs om aan de bar een glas te drinken en een kletsje te maken met de barman.

 

"Zullen we doorrijden naar Almeria, daar het parador opzoeken, en morgen lekker uitgebreid ontbijten? Almeria staat tenslotte al op de bordjes", stelt Ernst voor. Het is al 10 uur geweest, donker, en Almeria is dan wel uit de richting, maar volgens de bordjes slechts 70 km. Prima idee dus.

En zo rijden we nog even via een grote serie bochtjes naar beneden, en draaien dan de A370 op, die lange tijd echt kaarsrecht is, en dan, na wat snelwegbochten in onzichtbaar landschap, komen we in Almeria terecht, waar Ernst de weg naar het centrum weet te vinden.

Geen bordjes met "parador". Vreemd. Dan maar de bordjes naar het oude centrum volgen, centro historico, en naar het Alcazaba , het Moorse kasteel van Almeria.

Het zijn hier allemaal hele smalle straatjes, recht en haaks op elkaar (Moorse stadjes en dorpjes hebben altijd kromme straatjes), met overal eenrichtingsverkeer. We komen steeds maar weer op een pleintje uit waar iemand met de ramen open keihard erg lelijke muziek aan heeft staan.

Tenslotte weet Ernst op de één of andere manier het Alcazaba te bereiken. Daar zien we een klein gedeelte van, sterk gerestaureerd. Alleen de muren en de torens staan er nog van overeind: alles aan de binnenkant is verdwenen, maar die muren beslaan een enorm gebied, al kun je dat van hier uit niet zien.

Ondertussen heb ik de boekjes er op nageslagen, en er is helemaal geen parador in Almeria. Shit! En dat had ik me niet eens afgevraagd!

Wat nu? Ik weet een hotel , hoog in de Sierra de Alhamilla, waar je gebruik kunt maken van Romeinse baden (echt dezelfde als die de Romeinen hier hebben gebouwd en gebruikten), maar dat is twintig kilometer van hier, en dan moeten we Almeria ook nog eerst op de juiste manier uit zien te komen, en het is al half twaalf, dat is dus geen optie.

Een hotel hier dan maar. We hebben een paar dure hotels gezien waar niks aan leek, en een bordje naar hostal Sevilla. Na enig gezoek, en een ritje over de Ramblas, vinden we het hostal. Ik ga naar binnen, en de baas komt op me af en zegt "si", op mijn vraag naar een habitacion (letterlijk een overnachting, dat is hoe je in het Spaans naar een kamer vraagt).

Vervolgens doet hij de buitendeur op slot (ik ben al binnen), en gaat dan naar de tv zitten kijken. Hij wijst op een stoel, daar mag ik op zitten wachten.

Ik blijf staan, wacht voor mijn doen erg lang, maar hij zegt geen boe of bah meer, en heeft alleen ogen voor de TV. Als er iets is waar ik niet tegen kan is hethet gevoel opgesloten te zijn: ik heb er genoeg van. Ik ben hondsmoe verdomme, ik wil slapen. Godzijdank heeft hij de sleutel in het slot laten zitten, dus ik loop naar de deur, draai de sleutel om, en loop naar de motoren. Verder rijden en zoeken...

We staan op een kruispunt waar we eerder hebben gestaan, en ik herinner me een hotel verderop. Ik blijk gelijk te hebben, en ze hebben een kamer. Gered!

We slapen vannacht in hotel de la Punta Reina in Almeria, en morgen gaan we door naar de Cabo de Gata.

Wat kun je ongelofelijk moe worden, als je 's nachts een hotel moet vinden in een stad waar je eigenlijk helemaal niet wilt zijn!

*Red. En toch wil ik ooit dat Afrikaanse van die stad proeven...

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: