Motor en rotsen
Door het grandioze landschap van Montsant

Montblanc - Morella

Vanuit Montblanc rijden we naar het Monasterio de Poblet, maar doen niet mee aan de verplichte toer onder leiding van een gids.

We zitten dan op een weggetje door de Sierra de Roquerole, dat we volgen tot Albarca (het schip) dat inderdaad als een uit rotsen gebeeldhouwd schip boven het landschap uitsteekt.

We rijden door de bergen van Montsant verder naar Flix, waar we lunchen.

Vanuit Flix rijden we bredere wegen naar Morella, een stadje dat tegen een steile heuvel is gebouwd, ook ommuurd, met een kasteel bovenop. Het is veel toeristischer dan Montblanc, maar je hebt er een fantastisch uitzicht, en bovendien kun je er Alpenkraaien zien.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

Dinsdag 11 september 2007

De hoteleigenaars slapen nog uit, maar we kunnen betalen aan de kokkin die in de keuken bezig is.

We rijden de bepakte motoren naar het Plaza Mayor, waar we ontbijten bij de bar van gisteren.

 

Onderweg zien we dat overal nog steeds de (uiteraard Catalaanse) vlaggen uithangen.

Ook zien we her en der verklede mensen op straat. Als wat ze verkleed zijn zou ik niet kunnen zeggen. Ze hebben een soort kroon op hun hoofd van stof, en het doet een beetje Middeleeuws aan.

 

De eigenaar die zo van vroeg opstaan houdt slaapt nog, vertelt z'n moeder die zowel nu als gisteravond hielp.

Na het ontbijt is het tijd om afscheid te nemen van Montblanc.

We zijn later nog eens naar Montblanc gegaan, en zijn daar toen een paar dagen gebleven (we kwamen weer temidden van een feest).

Ook toen hebben we overnacht in Fonda Behmia Riuot (we kregen toen zelfs een appartement, wat helemaal ideaal is).

Montblanc staat niet of nauwelijks in reisgidsen, maar het is een erg leuk Middeleeuws Catalaans stadje.

 

Door de smalle straten van Montblanc vindt Ernst een weg naar een van de poorten van de stad.

Ik rij achter hem aan. In dit soort omstandigheden ben ik in staat om voortdurend in rondjes te rijden; Ernst rijdt ons dan op z'n gevoel naar een plek waar ik weer houvast aan de kaart heb.

Die smalle straten zijn trouwens ideaal in de zomer: bijna altijd schaduw!

 

Nu we door een van die poorten door zijn gereden zijn we buiten de Middeleeuwse binnenstad.

 

Wanneer we langs de muur rijden zien we de restanten van het feest van gisteren.

 

Hier kun je mooi zien hoe prachtig de stadsmuur van Montblanc gerestaureerd is. Hij loopt echt helemaal om de oude binnenstad heen, en de meeste torens zijn nog intact.

 

Bij een van de stadspoorten (ja, ze zijn van een valhek voorzien) zien we een tegeltableau.

Er staat iets op over Sant Jordi die een draak verslaat. Misschien was de figuur die we gisteren zagen dus toch Sant Jordi.

 

We rijden even op de N240, in oostelijke richting, en slaan dan af in de richting van L'Espluga de Francoli.

Als je daar binnenrijdt zie je deze halve boog met het woord Cova. Cova betekent grot: onder L'Espluga de Francoli ligt een enorm grottenstelsel, dat al sinds de prehistorie bewoond werd.

Een deel is gerestaureerd en als museum ingericht.

We moeten dus nog een keer terug komen ;-)

 

Als we L'Espluga de Francoli uit zijn zie we al snel een enorm gebouw voor ons.

Het is het Monestir de Poblet, het klooster van Poblet.

Het is een nog steeds functionerend klooster, gesticht in 1151. Het bestaat uit een aantal gebouwen en is geheel ommuurd.

 

We stappen af en nemen er een kijkje.

De parkeerplaats is buiten de muren; dit is de toegangspoort tot het binnenterrein.

De mevrouw in de nis is uiteraard Maria met haar baby.

 

Als je door die poort naar binnen loopt is er een stukje verderop een tweede poort, en vanuit die poort heb je zicht op de kerk van het klooster.

Poblet was een rijk klooster. De meeste kloosters warehn rijk, maar Poblet nog eens extra: de koningen van Catalunya en Aragon liggen hier begraven, en ze betaalden flink, en in ruil daarvoor kregen ze niet alleen een plek om begraven te worden, maar ook een gegarandeerde plek in de hemel. Dat was big business.

De muren waren er dus tegen de bevolking, die arm was. Het klooster is dan ook, zoals zoveel kloosters, door de bevloking in brand gestoken (un 1835).

Sinds 1940 is het weer bewoond, door Cisteriënzers. Die hebben het langzamerhand gerestaureerd, en het trekt nu veel toeristen.

 

Dit is de kerk van dichterbij. De buitenkant is erg mooi, moet ik zeggen.

Je kunt alleen onder leiding van een gids naar binnen, en dan ben je een uur kwijt.

Daar hebben we geen zin in met de bepakte motoren op de parkeerplaats (maar het zal ongetwijfeld de moeite waard zijn voor wie een dagje in Montblanc blijft).

 

We lopen dus terug naar de motoren.

Dit is de eerste toegangspoort van de andere kant.

 

We willen Rijden!

Dat gaat op de T7100, door de bergen, uitstekend.

Het is een smal weggetje met bochten.

Eerst is alles donkergroen, bebost of anderszins groen, maar zodra we de pas over zijn is het landschap, aan de zuidkant, opeens rood en geel en oranje.

De bergen zijn in lagen opgebouwd: rood onder, dan geel, dan oranje, en bovenop wit. En roze zit er ook nog ergens tussen.

 

Bochten zijn er in alle soorten en maten.

Hier zie je een stukje weg: je ziet de haarspeld rechts, en twee binna haakse bochten daarvoor.

 

Vele kilometers lang is er geen bebouwing.

Het eerste dorp dat we tegenkomen is Prades, dat la Vila Vermella wordt genoemd, het rode dorp, naar de kleur van de stenen waar de huizen van zijn gebouwd.

Die stenen komen uiteraard van de rotsen er omheen.

 

Na Prades blijft de weg heerlijk om te rijden.

Toegegeven, het schiet niet op als je ergens op tijd zou willen zijn, maar dit onderweg zijn is onze vakantie.

We proberen in Frankrijk meestal gritere slagen te maken (hoewel we ook daar nu veel voor dit soort weggetjes hebben gekozen), en wanneer we eenmaal in Spanje zijn (Catalunya, whatever) is het rijden de vakantie.

 

Vanaf de weg zien we een rots met een dorpje er op: Albarca, het schip.

De rots waar het dorp op ligt ziet er inderdaad uit als een schip.

De huizen zijn van dezelfde steen gebouwd als de rots waar ze op staan, waardoor het dorp een schutkleur heeft.

De berg daar weer achter heeft een steile helling waardoor er niets op groeit, zodat je alle rotslagen tegelijkertijd kunt zien. En achter die berg steekt weer een hogere berg uit, met minder steile helling, die donkergroen begroeid is met een er boven uit stekende witte richel.

 

Een uitstekende plek voor een pauze.

We rijden omhoog, het bijna uitgestorven dorp in. Het is niet helemaal onbewoond, zoals je aan deze auto's ziet.

 

We klimmen verder, tot het hoogste punt, waar het dorp zo'n beetje eindigt.

We zetten de motoren neer, met alles er op en er aan, inclusief tanktassen, en nemen water en sultana's mee om een eindje verder van het uitzicht te genieten.

 

Ik heb de verrekijker mee, en we zien deze Arend, waarvan ik denk dat het een Havikarend is.

 

Dit is ons uitzicht!

We kijken hier aan tegen de berg achter de rots van Albarca.

Je ziet hier mooi die rode richels, de gele kleur van de rotsen er boven, en het zandpad dat je hier zou kunnen nemen om overal dichterbij te komen.

 

Als je Albarca uit rijdt, rij je echt van die rots naar beneden.

Dat laatste stukje is verhard; alle straten in het dorp zijn onverhard.

 

In Albarca slaam we rechtsaf de C-242 op (we hadden linksaf kunnen gaan, em Montsant in een wirwar van witte weggetjes te doorsteken, maar we reden hier nog niet met GPS, en de route die we nu namen was prima met de kaart te vinden).

De weg kronkelt met een riviertje mee, met perzik- en amandelboomgaarden langs de oevers (hier niet te zien).

 

We rijden nu door de Serra de Montsant, het Montsant gebergte.

Dat betekent dat er steeds indrukwekkende rotspartijen te zien zijn.

 

Links zie je hier Olijven groeien; rechts zie je Amandelen of Perziken (ik kan het verschil niet zien als ze geen vruchten dragen).

Olijven hebben grijze bladeren; Amandelen sappig groene.

 

Je kijkt je ogen uit hier, door de rotsen die overal tussen de begroeiing zichtbaar zijn.

 

Hier kun je mooi zien dat de rotsen aan de binnenkant rood zijn, maar aan de buitenkant grijs verweerd zijn.

 

Soms buigen de rotsen zich over je heen.

We zijn links afgeslagen, de T713 op.

Het is erg mooi nieuw asfalt hier, pas nieuw. Het achterwiel van de Mulhacen glijdt er een paar keer op weg.

De bochten zijn bijna allemaal positief verkant: je rijdt van de ene kombocht de andere in. En dat vrijwel zonder verkeer: we zijn Vanaf het Monasterio vier motorrijders en nauwelijks auto's tegengekomen.

 

Je banden hebben hier echt geen moment waarop het middelste gedeelte kan slijten: het is een en al bocht!

 

En als er dan een kort recht stukje is, dan heb je tijd om je te verbazen over de geologische processen die hier aan het werk moeten zijn geweest.

 

We rijden door Margalef, en het landschap blijft maar indrukwekkend.

 

Hier zie je, in de verte, La Bisbal de Falset liggen, tegen een rots aan.

Ik heb geen idee wat die vreemde stellage in het midden is; misschien willen ze daar een flat bouwen...

 

Hier zie je hoe de mensen uit La Bisbal de Falset hun geld verdienen: overal tegen de berg zijn terrassen gemaakt, met amandelbomen.

 

We rijden nog lange tijd op dit prachtige weggetje.

Een eindje voor Flix kunnen we kiezen uit de "gewone" weg, of een weg waarbij staat aangegeven "Pas el Barco".

Oh, dan nemen we de pasweg, zeggen we tegen elkaar, en als we onderweg zijn bedenk ik me dat een pas in het Spaans helemaal gen pas heet maar een puerto, en dat een barco een boot betekent...

En zo komen we inderdaad aan bij een plek waar je de Ebro per pont kunt oversteken.

De pont in kwestie ligt midden in de rivier niets te doen, en de bordjes met vaartijden lijken erg oud. Terug dus, geen straf, op dit weggetje.

Later bedenk ik dat het misschien helemaal geen kwestie was van een uit de vaart genomen pint, maar gewoon een vrije dag: deze dag was de nationale dag van Catalunya, dat waren we een beetje vergeten...

 

Op de terugweg kunnen we het Castell de Flix nog mooier zien liggen dan op de heenweg.

 

De "gewone" weg is van een brug voorzien, en zo rijden we Flix binnen, een stadje van niks.

We dwalen door Flix, op zoek naar een bar.

Hier komen we langs de mercado, de overdekte markt, die je nog steeds in vrijwel elk stadje in Spanje (inclusief Catalunya) vindt.

 

Er blijkt één straatje te zijn waar alle bars bij elkaar zitten.

We bestellen Kas limon, water, en bocadillos con tortilla.

En terwijl we eten en drinken beslissen we over de rest van de route.

Hier besluiten we naar Morella te rijden via grotere wegen als ik oorspronkelijk had gepland: dan kunnen we daar vanavond nog zijn.

Morella is volgens de bareigenaar uit Montblanc nog veel mooier dan Montblanc, en bovendien, belangrijker, vond hij, ook Catalaans.

 

En dan rijden we Flix weer uit, ik achter Ernst aan, zoals gewoonlijk in dat soort situaties.

Ook hier zie je het voordeel van nauwe straten!

Merk trouwens ook de Catalaanse vlaggen op die overal hangen. Dat is voor de Nationale Dag van Catalunya.

 

We verlaten Flix in zuidelijke richting, en slaan dan rechtsaf de C128 op.

Dat blijkt een hele mooie weg, met nieuw, erg lekker asfalt, en erg mooie bochten. Een echte scheurweg.

 

Dan de N420.

Het landschap is mooi, de weg is vrijwel leeg, en er zijn alleen flauwe bochten hier.

Af en toe rij je door een dorp, ter afwisseling.

Het schiet enorm op, maar je maakt zo wel veel minder mee van de wereld om je heen.

Hier zie je rechts weer amandelbomen, en we rijden hier op Corbera d'Eber af, met de esglesia de Sant Pere.

 

Een stuk verderop ligt Gandesa.

In Gandesa staat een prachtige coöperatieve wijnkelder, de Celler Cooperatiu, modernista.

Hij is gebouwd in 1919, door Cesar Martinelli, die een leerling was van zowel Puig i Faldalc als van Gaudi.

 

Dan nemen we de N323, linksaf, eenzelfde soort weg.

We hebben nu Catalunya verlaten, en zijn in Aragon. We zijn nu dus echt in Spanje ;-)

Hier komen we langs de nul-meridiaan. We zitten hier dus even westelijk als Greenwich.

 

Na een poos komen we grote borden tegen dat de rest van de weg nog niet verbeterd is. De weg zoals die nu is, is gevaarlijk, wordt met flikkerend oplichtende borden verteld.

Overal zien we hier machines aan een nieuwe weg werken: dit is waarschijnlijk de laatste keer dat we van deze niet verbeterde versie van de weg gebruik kunnen maken.

Dan verandert de weg: hij wordt veel smaller, en we krijgen grote stukken met haarspeldbochten.

Het is echt heel erg mooi rijden hier. Het "gevaarlijk" is misschien wel terecht voor vrachtauto's die dit als doorgaande route gebruiken, maar voor op de motor is dit een fantastische weg.

Behalve dat de weg lekker is om te rijden, is ook het uitzicht steeds mooi: je ziet hier rotsen waar je drie keer naar moet kijken om er achter te komen of er nou een kasteel op stat of dat het de rots zelf is die een kasteel imiteert.

 

Heel wonderlijk is het om hier waarschuwingsborden te zien voor sneeuw, of een bevroren weg.

Het is niet heel erg hoog hier (ruim 1000 meter), maar er heerst hier een landklimaar: in de winter kan het hier erg koud worden.

 

Hier rij je dwars door de rotsen heen in plaats van er omheen, zoals op smallere wegen.

Of die palen hier staan voor als er sneeuw is weet ik niet; het is wel een leuk idee...

 

In Montroyo tanken we. Er hangen grote borden met reclame voor Dinopolis, een soort kruising van een wetenschapsmuseum en een pretpark, naar aanleiding van de fossielen van dinosauriers die hier in de buurt zijn gevonden.

Zo rijden we al haarspeldend omhoog naar de Puerto de Torre Miro.

 

Zodra we de pas overgestoken zijn, zien we voor ons een heel wijds kaal landschap, met heuvels die met olijfboomgaarden bedekt zijn. Langs

Alle hellingen zijn van stapelmuurtjes voorzien, heel veel kilometers stapelmuurtjes.

De Maestrazgo.

Hier, op deze foto, staat er net iets moois in de weg ;-)

 

Zpdra we het bord met Morella zien, zien we ook het aquaduct van Morella, het aquaduct de Santa Lucia.

Het is gebouwd in de 13de en 14de eeuw, en het geeft een prachtig beeld zo van uit de verte.

 

Even later zien we Morella zelf, en het ziet er spectaculair uit.

Het ligt net als Montblanc op een heuvel, maar deze heuvel is hoger en steiler.

En het kasteel bovenop staat er nog, althans, grote gedeelten er van.

 

Als we dichterbij komen zien we het aquaduct beter.

Je kunt hier goed zien dat het gotisch is, aan de bogen die in een punt uit lopen.

Het aquaduct is tot in de jaren zestig van de twintigste eeuw in gebruik gebleven!

 

We rijden de heuvel van Morella op.

(hoewel, het woord heuvel is niet helemaal op z'n plaats: Morella ligt op meer dan 1000 meter hoogte)

Hier zie je hoe de rots van Morella als achterwand is gebruikt voor de huizen rechts. Verderop staan huizen waarbij de stadsmuur als achterwand is gebruikt.

We komen dan bij de poort terecht aan de laagste kant van de muur, die aan de achterkant van de heuvel dus op een veel hoger punt zit.

Alleen bewoners van Morella mogen naar binnen; bezoekers kunnen aan de buitenkant langs de muur omhoog rijden.

De straat stijgt sterk, komt langs twee hostals die met hun achterkant tegen de muur aan zijn gebouwd.

Maar binnenin zitten ook nog hotels, weet ik.

 

We rijden terug, en gaan dan aan de andere kant langs de muur omhoog.

Hier is het een en al parkeerplaats: hier kunnen honderden auto's en bussen terecht.

Vrijwel alle parkeeplaatsen zijn leeg: Morella leeft op in vakanties en weekenden.

Helemaal bovenaan is een poort waar je de stad binnen kunt, met een trap...

 

Je hebt daarboven een enorm uitzicht.

Je ziet hier goed de essentie van de Maestrazgo: heuvels met terrassen, en die terrassen beplant met olijven of amandelen.

Links zie je ook weer dat aquaduct.

 

Ernst loopt daar naar binnen, en komt terug met een kamersleutel.

Hij rijdt met de R3B om, mag via de bewonerspoort naar binnen, en kan zo de bagage voor de deur van het hotel van de motor halen.

Als ik binnen ben, de boel aan het uitpakken, rijdt hij de R3B de trap op omdat hij geen zin heeft om weer om te rijden... Het is maar goed dat ik daar niet bij was...

We zitten in hotel El Cardelan Ram, in een mooi Middeleeuws groot huis met stenen gewelven, glanzend houten vloeren, houten balken, en muurschilderingen.

Ooit was dit het huis van een kardinaal (onder de "tegenpaus" die in Avignon zat).

Gewapend met mijn kennis, opgedaan bij de bareigenaar in Montblanc, vraag ik aan de dame bij de receptie of er misschien van alles dicht is vanwege de nationale feestdag: Morella is toch Catalaans?

Nee, zegt ze afkeurend, Morella hoort bij Valencia!

 

Veel straten hebben hier de vorm van trappen: alle straten die tegen de heuvel op zijn gericht.

Alleen de straten die langs de heuvel lopen zijn "gewone" straten.

Ernst heeft z'n motor dus via zo'n trap naar boven gereden (al was die wel iets korter dan deze)...

 

Vanuit het hotel lopen we naar boven, richting kasteel.

Er zijn alleen een paar medetoeristen, verder is het leeg.

Er is een kerk, met beelden in nissen (met erg korte beentjes om er in te passen, wat een vreemd effect geeft).

Het is de iglesia (in het Catalaans heet een kerk een esglesia; in het Spaans een iglesia) de Santa Maria, en hij is gebouwd tussen de 13de en de 16de eeuw. Deze toegangspoort is erg mooi, met die korte-beentjes-beelden.

Wat extra leuk is, is dat Papa Luna, de antipaus Benedictus XIII (papa betekent behalve vader ook paus), hier regelmatig de mis las. Papa Luna was een Aragonees.

 

Even verderop ligt het gotische Convento de San Francisco.

Het verkeert in tamelijk ruïneuze staat, en zal, volgens de borden, gerestaureerd worden tot een parador; daar zullen ze nog heel veel werk moeten verrichten.

Als ik zoek naar informatie kom ik krantenberichten tegen die melden dat het werk in 2010 zal starten en binnen drie jaar klaar zal zijn, maar ik ben bang dat dat er niet van is gekomen: later zijn er berichten waarin de gemeente Morella van Rajoy toezeggingen eist om eindelijk met de beloofde subsidie over de brug te komen...

Op dit moment is het voormalige klooster de toegang tot de burcht, maar die is gesloten, wegens instortingsgevaar.

 

Het bezoek aan de burcht gaat dus niet door; we lopen door tot aan het hoogste punt dat we buiten het afgesloten terrein van de burcht kunnen bereiken.

De zon is aan het ondergaan, en zo hebben we een prachtig uitzicht op de Maestrazgo.

 

En de burcht, of wat er van over is, wordt in een prachtig licht gezet.

Het is gebouwd door de Moslims (ze worden meestal de Moren genoemd, maar ik ga ze vanaf nu eigenlijk maar gewoon bij hun naam noemen).

De burcht heeft heel lang dienst gedaan, en is vele eeuwen lang intact gebleven(en uitgebreid), tot hij verwoest werd door een bombardement in de Carlistische oorlogen, in 1813.

Vanaf de burcht moet je extreem ver over de Maestrazgo kunnen kijken, als je nagaat wat je al vanaf de muur aan de voet van de burcht kunt zien.

Hij lijkt zoals zoveel burchten in Spanje, uit de rots te groeien waar hij op is gebouwd.

 

Dan hoor ik het geluid van Kauwen, maar dan veel melodieuzer.

Dat moeten AlpenKraaien of AlpenKauwen zijn. Die twee zijn vrijwel alleen van elkaar te onderscheiden door de kleur van de snavel: geel voor de AlpenKauwen, en rood voor de Alpenkraaien.

En even later zie ik er een, en hij heeft een vuurrode snavel: een Alpenkraai.

Ik heb die nog nooit van zo dichtbij gezien!

 

We slenteren terug, en ik loop de galerij van het klooster van Sint Franciscus binnen: kijken of daar binnen iets te zien is.

 

En daar is iets heel anders te zien dan ik gedacht had: op randen van balken zitten Alpenkraaien!

Ze zijn totaal niet bang, zodat ik ze van extreem dicht kan bekijken.

Op deze foto kun je goed zien dat ook z'n poten vuurrood zijn.

Ik had deze vogels alleen maar heel soms vanuit de verte gezien. Dan moet je hopen dat er een moment komt dat het licht precies goed is om de kleur van z'n snavel te zien (en de kleur rood is al heel snel niet meer te zien).

Het enige andere aspect dat ze enigszins onderscheidt van Alpenkauwen is dat de laatsten meestal in grote groepen opereren, terwijl Alpenkraaien meestal met z'n tweeën zijn.

Hier dus niet...

 

Waar dit tegeltableau, van de Maria van de Smarten, precies te vinden is weet ik niet meer. Ik denk ergens in of aan het Convento de San Franciscus.

 

We komen weer langs de Santa Maria de la Mayor, en deze keer zijn er geen medetoeristen.

De medetoeristen die er waren spraken Frans (kennelijk weet elke Spanjaard dat je op deze dag niet in Morella moet zijn, zo lijkt het).

Ze waren er zich niet van bewust dat wij ze konden verstaan, en spraken op bijna Amerikaans-luide stem (erg interessant was het niet, wat ze te vertellen hadden). Het is dus een verademing om even alleen te zijn op dit plein, en de kerk te kunnen bekijken.

 

Goed, nog één laatste Alpenkraaienfoto ;-)

Deze zit zich uitgebreid te poetsen terwijl we vlakbij hem staan.

Ik ken ze alleen als schuwe vogels. Wie Alpenkraaien wil zien moet dus naar Morella gaan!

 

Als je de Santa Maria van de andere kant bekijkt zie je dat de klokkentoren nauwelijks een toren is; meer een muur met een opening voor de kerkklok.

Het is bijna alsof de klokkentoren een decorstuk is.

 

Wanneer we verder lopen en proberen dezelfde hoogte aan te houden, komen we bij de Plaza de Toros van Morella.

Die ziet er heel vredig uit, in het avondlicht.

Ernst vindt de ingang van de arena, de ingang voor de toreadors en de stieren, naar de piste van zand, met de stallen ernaast.

 

De Plaza de toros ligt vlak onder de burcht, zoals je op deze plattegrond kunt zien.

Je hebt daar vanuit hier echt een heel mooi zicht op.

 

Dwalend door kromme straatjes en trappen, komen we in de "hoofdstraat" van Morella, vol winkels en restaurants.

Ook de winkels hebben met eten te maken: Morella heeft voor Spanjaarden op culinair gebied blijkbaar een naam hoog te houden.

De etalages zijn om van te watertanden: enorme hammen, blokken chocola van 1 kilo, gedroogde paddestoelen, honing, noten, nougeat, wijn, het ziet er allemaal even lekker uit.

Gelukkig zijn de winkels dicht: anders zaten we nu met zo'n kilo chocola...

 

Bij de restaurants die open zijn liggen de menukaarten opengeslagen buiten, op de tafeltjes.

Maar wanneer je daar in begint te kijken springt er een ober op je af, om voor te lezen wat er op staat.

Een vrouwelijke ober wordt bijna handtastelijk als ze me een menu in handen probeert te drukken.

We gaan zitten bij de enige plek waar ze ons gewoon met rust laten (Bar Restaurante Rourera), naast het terras met de vrouwelijke ober. Ze kijkt me met donderwolken in haar ogen aan.

We eten wat tapas, en drinken witte wijn.

Heel vreemd, is dat hier: een dode stad, een kunstmatig in leven gehouden stad, die bestaat van toeristen, van Spaanse toeristen, die er nu nauwelijks zijn.

Montblanc is veel mooier. We zullen een keertje teruggaan, om dat aan de bareigenaar te vertellen (als hij nog bareigenaar is tenminste: misschien heeft hij tegen die tijd wel iets gevonden waarbij hij vroeg naar bed kan *en* lang uit kan slapen, want ik kreeg het idee dat *dat* was wat hij het allerliefst wilde).

PS We zijn inderdaad teruggegaan, en de bar was verkocht. Ik hoop dat hij dus altijd kan uitslapen nu.

 

Ons hotel ligt vlakbij waar we aten. We zijn dus zo thuis.

Het zit in een erg mooi oud gebouw in Morella, en het is vreemd om de enige gasten te zijn hier.

We hebben bijna het gevoel de enige gasten in heel Morella te zijn, maar we hebben met eigen ogen die Fransen gezien.

 

Nog een laatste blik op de straat waar we hebben gegeten (links de bar waar we zaten), en dan gaan we naar binnen, ons hotel in.

Je zier goed hoe sfeervol Morella is, met die terrassen onder de arcaden.

 

Ook het hotel is erg sfeervol.

Je verwacht hier elk moment een ridder om de hoek...

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: