Motor en stadstorens
De torens van Semur en Auxois

Troyes - Vichy

We zien nog iets van Troyes als we er na het ontbijt doorheen rijden: het is een erg mooi stadje.

Als we Troyes even later uit zijn, zitten we midden in de Champagne. Je kunt de wijn hier overal ruiken. We komen er door les Riceys, een prachtig dorp.

We lunchen in Semur en Auxois, midden in de Bourgogne, omgeven met een stadsmuur met torens.

We rijden verder door de Morvan, over heerlijke weggetjes, en voor het avondeten kiezen we deze keer een restaurantje in Lapalisse.

Het is al donker als we weer vertrekken: we strijken neer in het dichtbij gelegen Vichy, en vinden daar Hotel California.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

Dinsdag 4 september 2007

Onze motoren hebben de nacht doorgebracht in de garage van het hotel: veilig en droog.

 

Dit is de eigenaar van Hotel Comtes de Champagne. Hij is veel aardiger dan hij hier lijkt ;-)

Deze man hebben ik gisteren dus om een uur of twaalf uit z'n bed gebeld zonder in de gaten te hebben dat het al zo laat was.

Hij heeft ons toen onze kamer laten zien (aan de overkant), heeft de garage voor ons open gedaan en gewacht tot we onze motoren hadden neergezet, en is vanochtend present om iedereen het ontbijt te brengen.

En al die tijd is hij ongelofelijk vriendelijk. Petje af!

 

Het ontbijt hebben we in het hotel zelf, aan de overkant van de straat. Het hotel is gevestigd in een prachtig oud vakwerhuis.

We krijgen daar superverse warme croissants, en de erg aardige eigenaar brengt ook nog een paar plakken ham voor Ernst: dat is een zeldzame gebeurtenis, dat die het ontbijt in Frankrijk lekker vindt.

 

De binnenstad van Troyes is Middeleeuws. Het pand waar de garage in zit is dat ook.

Er is overduidelijk restauratie nodig hier, maar je kunt toch goed zien dat het een vakwerkhuis is.

 

Troyes heeft een grote Middeleeuwse binnenstad: wanneer we er doorheen rijden besluiten we voor de zoveelste keer dat we die nog eens (een andere keer dus) willen gaan verkennen.

Het rode huis rechts is heel typisch voor Troyes: vakwerk, maar dan niet in zwart-wit zoals in Duitsland.

Je ziet ook mooi dat de eerste verdieping een stukje uitsteekt.

Dit soort huizen dateert van 1530, toen Troyes herbouwd werd, na een enorme brand.

 

We rijden hier langs de Quai de Dampière, met links van ons de gracht die een deel van de binnenstad van Troyes omsluit, het Quartier de la Cité.

Een gracht is eigenlijk het verkeerde woord: het is de Seine, die hier een bocht maakt, waar een kanaal bij is gegraven zodat er een ring is ontstaan.

En rechts zie je weer zo'n enorm vakwerkhuis.

 

Het nadeel van Troyes is alleen dat het midden in een vlakte ligt, en dat betekent dat je hoe dan ook eerst over een saai stuk weg rijdt, de D671 in ons geval (toen nog de N71).

Die loopt, vrijwel kaarsrecht, door het dal van de Seine in de richting van Dijon.

 

De D671 loopt door Bar sur Seine.

Hier rijden we langs de gotische église Saint Étienne uit 1505.

 

Aan de Seine ligt Le Moulin, een in principe prachtig gebouw n deplorabele toestand.

Er waren grootse plannen om het op te knappen, maar het geld kon niet bij elkaar gevonden worden.

Zonde, want het zou een prachtig gebouw kunnen zijn!

 

We rijden door de Champagne.

Deze champagnekurk is geen reclame voor een champagnebedrijf, maar geeft aan dat we het plaatsje Celles sur Ource binnenrijden.

Het is duidelijk wat hier de kurk van de economie is.

 

Het is ook duidelijk dat druivenplukken nog steeds werk is voor seizoensarbeiders.

Vroeger kon je dat als scholier of student doen; er zijn altijd Roma geweest die het werk hebben gedaan, en nu zullen er ook mensen vanuit de verste uithoeken van de EU op de druivenpluk af komen.

We zien op allerlei plekken kampementen met caravans.

 

Een eindje voorbij Bar sur Seine slaan we rechtsaf, en we komen dan door het plaatsje Les Riceys, een dorp dat zichzelf terecht afficheert als een "belle village".

De huizen zijn van zandsteen, en er zijn twee kastelen.

De toren die je ziet is van een woonhuis.

 

We rijden hier langs een van de kerken van les Riceys, de Église Saint Pierre ès Liens.

 

Even buiten les Riceys zien we een Cadole, een klein stenen hutje.

Het waren hutjes voor de wijnbouwers: warm (nou ja) in de winter en koel in de zomer.

Sommige waren zelfs bedoeld als permanente bewoning (in plaats van de caravans die je nu overal ziet, zeg maar).

In de omgeving van les Riceys staan er nog een behoorlijk aantal.

 

Vanuit de Champagnestreek rij je de Bourgogne binnen. Alles is sappig groen hier, welvarend.

Veel bloemen in tuinen, en hier en daar velden vol snijbloemen.

In Laignes nemen we de D5. De weg is smal, voorzien van prachtig asfalt, glooiiend, en met bochten. Zo af en toe is er voor een dorpje gezorgd ter afwisseling.

De huizen hebben hier ommuurde tuinen, die als boomgaard zijn ingericht. De takken hangen tot aan de grond, zwaar beladen met fruit. De Côte d'Or heet het hier.

We zijn hier voorbij Fontaines les Sèches en Verdonnet gereden, in het Fôret du Grand Jailly.

 

In Arrans zitten we achter een hooiwagen, om nog eens te onderstrepen hoe alles hier is ingericht op de agrarische sector: koeien en wijn.

 

De D5 heeft dan wel geen groen randje op de Michelinkaart; hij is prachtig!

Je hebt hier van die heerlijk lange bochten, die je van verre kunt overzien.

Ideale wegen voor mijn Derbi Mulhacen (het is mijn eerste vakantie op deze motor).

 

De D5 bereikt Montbard, gelegen op een heuvel (de Mont van Montbard) aan de rivier de Brenne.

De torens zijn van het tiende-eeuwse Château de Montbard.

Ze hebben zelfs namen, deze torens: de Tour Saint-Louis en de Tour de l'Aubespin.

Montbard ligt strategisch tussen Parijs, Dijon en Semur en Auxois, zodat dit belangrijke uitkijktorens waren.

 

We rijden verder over de bredere D980 (we zien vanuit de verte nog het Chateau de Montfort op een heuvel liggen), en slaan dan af naar Semur en Auxois.

Semur en Auxois ligt in het hart van de Bourgogne, en is aan drie zijden omgeven door de rivier de Amarçon. Het is gebouwd op een rots van graniet. Van zichzelf is de stad dus al op een natuurlijke manier versterkt.

Die versterking is nog eens extra benadrukt met muren en torens.

Ik wil al doorstormen volgens m'n routebeschrijving, maar Ernst zegt geheel terecht dat het geen gek idee is om even de stad in te rijden, en iets te eten te zoeken.

 

Eén van de torens in de stadsmuur heeft een enorme scheur, die er al eeuwenlang in schijnt te zitten (sinds 1589): zo'n toren stort toch niet zo makkelijk in, blijkbaar.

De toren heeft een naam: de Tour d'Orle d'Or. De naam komt uit de tijd dat er een cirkel van metaal rond de toren gebogen zat, die in de zon als goud schitterde.

 

We vinden een terrasje, in de zon, aan de Rue de la Liberté.

Het eten is belabberd: de steak bevat meer zenen dan vlees: Ernst z'n vooroordeel tegen Frans eten wordt flink bevestigd.

Maar de zon maakt veel goed, en met flink veel mosterd is de steak voor mij prima te doen ;-)

 

Voor we vertrekken willen we nog even langs de remparts rijden.

Daarbij komen we door Middeleeuws Semur en Auxois.

Dit is de Place Notre Dame, met een prachtig vakwerkhuis. Achteraan zie je nog net de Tour de l'Orle d'Or. Je kunt daar ook goed aan zien dat Semur en Auxois op een rots ligt: de toren ligt een stuk lager.

 

We dachten eigenlijk dat we de motor ergens zouden moeten neerzetten en dan naar de remparts lopen, maar we kunnen er helemaal komen via de Rue deu Rempart.

Helemaal legaal zelfs, door voor Toutes directions te kiezen (ongelofelijk dat al het verkeer dat tot hier komt door dit steegje wordt geleid).

 

Vanaf de remparts kun je goed zien dat hier beneden dat riviertje loopt: we staan zelf op een rots, en aan de overkant loopt het ook omhoog.

Niet even geleidelijk overal: er zijn terrassen gevormd met muurtjes, om nog iets te kunnen verbouwen op anders te steile hellingen.

 

Het leuke is dat je (via de Rue Basse du Rempart) helemaal onderlangs de muur kunt rijden.

Je kunt hier goed zien hoe die nog intact is hier.

 

We komen uit op de Rue des Vaux, en van daar uit zie je de Tour d'Orle d'Or bijna uit de rots groeien.

De weg loopt langs diezelfde rots. Achter de huizen links loopt de rivier.

 

Tenslotte verlaten we Semur en Auxois op dezelfde manier zoals we zijn binnengekomen: via de Rue de Paris, met zicht op vier torens tegelijkertijd.

 

Vanaf de D980, een brede rechte weg, kunnen we nog een laatste blik werpen op de torens van Semur en Auxois.

 

In Précy sous Thil komen we langs deze enorme klomp, sabot in het Frans.

We zijn de Morvan binnengereden, en daar worden deze klompen gedragen (of werden: net als bij ons dragen de meeste mensen nu gewoon leren schoenen).

De naam Morvan heeft bij mij een associatie met duister, donker (misschien door Mordor uit the Lord of the Rings). Dat klopt ook: het is een Keltische naam (van de Galliërs dus). Mar betekent zwart, en Vand betekent gebergte.

De mensen uit de Morvan zeggen dat zij als eersten klompen maakten (en dat wij dus slechts naäpers zijn).

Hier zou ook het woord sabotage zijn ontstaan, toen textielwerkers zich verzetten tegen de industriële weefgetouwen die arbeiders vervingen, door hun klompen er in te gooien zodat de machines vastliepen.

 

De D980 is nog lange tijd recht, maar na Sainte-Isabelle verandert hij van karakter: er komen erg mooie bochten aan, en als je zo lang alleen rechtuit hebt gereden is dat extra welkom.

 

We rijden Seaulieu binnen.

Aan het metalen bord langs de weg kun je zien dat het vlees van de Charolais koeien een behoorlijk deel van de economie bepalen.

 

Langs de hoofdstraat van Seaulieu staan een aantal prachtige gebouwen, waar hotels en/of restaurants in zitten.

Hier rijden we langs de Hostellerie de la Tour d'Auxois.

De restanten van de toren waar het hotel naar is vernoemd zie je, samen met de restanten van de stadsmuur, er achter.

 

In het gebouw links zit een driesterren restaurant: de Relais Bernard Loiseau van Alexandre Dumaine.

En tenslotte is er het simpele Hotel de la Poste. Ik houd van simpele hotelletjes: voor mij zou het het laatste worden ;-)

 

Ik was in Seaulieu de verkeerde kant opgereden, bleek, dus ik rij terug en sla linksaf de D977 op.

Hier nog een hotel, met de naam Le Lion d'Or, de Gouden Leeuw. Die naam zie je erg vaak in Frankrijk. Het is namelijk een naam die exact hetzelfde klinkt als Le Lit on Dort, het bed waarin men slaapt. De naam is dus een woordgrapje (die in het Nederlandse De Gouden Leeuw geheel verloren is gegaan).

 

Die D977 is een prachtige weg, van roodkleurig asfalt (ik heb het idee dat dat in Frankrijk vaak wordt gebruikt in gebieden waar het in de winter veel vriest. Het is lekker stroef), met voortdurend de meest heerlijke bochten.

 

Je moest wel goed blijven uitkijken: af en toe lag er grit in zo'n bocht, zoals hier.

 

De Morvan is een moerassig gebied, met af en toe bos, af en toe een dorpje, en witte koeien.

De D977 die er doorheen loopt is echt fantastisch (er zijn meer van dat soort wegen door de Morvan).

Het was alleen wel koud: we trokken de regenspullen aan tegen het afkoelen (dat is het voordeel van een aparte regenbroek en -jack: ze helpen ook enorm tegen de kou).

 

En dan gaat de weg weer door. Meestal door bos (en altijd met bochten), soms door weiland.

Heel soms hebben we vergezichten ter afwisseling.

Als je heel Frankrijk via dit soort wegen zou kunnen door rijden, dan zou het geen probleem zijn dat het zo verschrikkelijk groot is ;-)

 

In Montsauche les Settons slaan we linksaf, de D193 op, terwijl ik eigenlijk de D37 had willen hebben. Soms loopt het toch nog even mis met mijn prachtige routesysteem ;-)

We slaan voor het Lac des Settons rechtsaf, en komen zo via een doorsteekje toch weer op de D37 terecht.

 

De bochten van de D37 zijn nog mooier dan de bochten die we tot nu toe hebben gehad: Het zijn van die doordraaibochten: als je er uit komt heb je het idee dat je precies de andere kant uitrijdt, of dat je een compleet rondje heb gereden.

Het is een superweg, een weg om te onthouden.

 

Na heerlijk lang van die D37 genoten te hebben komen we terecht op de D944, in de richting van Chateau Chinon.

Daar zien we onderweg dir wegrestaurantje: l'Oustalet.Het is helaas geen etenstijd ;-)

 

We rijden door Chateau Chinon, en nemen daar de D978, die we een eindje naar het westen volgen.

Een stukje verderop slaat de D37 daar weer af naar het zuiden: dat is onze weg.

Bij een meertje, met picknickbanken en uitspanning, houden we even pauze.

 

We rijden door Moulins Englibert, en blijven de D37 volgen.

Vanaf Vendesse reden we verder via de D106, in de richting van St Honoré les Bains.

Na die plaats kwamen we weer terecht in bochten. We maakten hier het laatste stukje van de Morvan mee.

 

We kwamen zo in Luzy terecht, en volgen daar de D985, die weer erg mooi bochten heeft, naar Toulon sur Arroux.

Dit is de gotische kerk van Toulon sur Arroux; er is ook een Romaanse maar daar kwamen we niet langs.

Deze is mooi geel van kleur.

 

De D994 die we van daaruit volgen is behoorlijk kaarsrecht.

Deze vreemde, met klimop begroeide toren, staat in Gueugnon, dat een welkome afwisseling was van de rechte weg.

 

In Digoin, dat we bereiken via die D994 die al die tijd maar kaarsrecht blijft, raak ik de weg kwijt.

Ik raak er dan langzamerhand van overtuigd dat de werkelijkheid niet met de kaart klopt, of andersom, maar als we stoppen en Ernst alles bekijkt, blijken de twee toch in overeenstemming met elkaar, en vinden we de juiste weg er uit.

 

Zo moeilijk leek die weg ook niet: gewoon de D994 volgen (maar in een stad kan dat soms lastig zijn).

Langs de D994 zien we ergens nog dit huis van een Citroën-liefhebber.

 

In Lapalisse eten we in een eetcafé/brasserie. Daar bedenk ik hoe vreemd het is dat een brasserie in Nederland tamelijk luxe is, terwijl het hier in Frankrijk juist een heel simpel café is waar je ook kunt eten.

En het is niet te geloven (voor Ernst, die er van overtuigd is dat Franse niet kunnen koken en alleen maar liflafjes maken): het is echt lekker! Ook de muziek is lekker.

We nemen uitgebreid de tijd om bij te komen. Bochten rijden is heerlijk, maar van rechte wegen rijden word je erg moe ;-)

 

Dit is het: Bistrot Le Vaudois, waar de Rue de Bert uitkomt op de Avenue Pasteur.

Dit was een erg aangename pauze!

 

Als we verder rijden blijkt Lapalisse ook nog eens een heel erg mooi stadje.

We rijden hier via de Rue de la Fraternité naar beneden (beneden loopt de rivier de Besbre door Lapalisse).

Je ziet dan een lief Middeleeuws huis en de torens van een kasteel.

 

Het kasteel is het Château de la Palisse, waarvan de oudste delen uit de 11de eeuw stammen.

Het wordt nog steeds bewoond (door de familie Chabannes), en het schijnt van binnen ook prachtig te zijn, met oude wandtaptijen en meubels en schilderijen van lang vervlogen tijden.

Je kunt er een bezoekje brengen onder leiding van een gids, maar dat hebben we niet gedaan: daar waren we sowieso te laat voor.

Hier hadden we gewoon een overnachtingsplek moeten zoeken, bedenk ik achteraf, maar ik was kennelijk te moe om dat te beseffen.

 

Het is aan het schemeren als we opstappen, en het wordt snel helemaal donker.

We komen op een rondweg of zo terecht, en zitten vast achter een vrachtwagen. Dit heeft geen zin, vind ik, dus nemen we de eerste afslag, en komen dan, via industrieterreinen en meubelboulevards, terecht in Vichy.

Vichy is een moeizame stad voor de Fransen: daar zat het collaborerende bewind van Frankrijk, tijdens de oorlog.

Voor die tijd was Vichy een heel luxe kuuroord, en na die tijd was Vichy besmet.

De hoteldichtheid is enorm, zeker als je die vergelijkt met het aantal toeristen. Zo te zien probeert Vichy grote beurzen en dergelijke binnen te halen: de infrastrcutuur is er door die hoteldichtheid uitstekend voor.

Toch doen we er een poosje over om een hotel te vinden: die zitten zo'n beetje allemaal in een paar straten bij elkaar.

Ik ben erg moe (zo langzamerhand zou ik moeten weten dat als ik bedenk dat ik wegrij van een plek waarvan ik net heb bedacht dat het een leuke overnachtingsplaats is, maar er niet toe kom om dat besluit in een daad om te zetten, dat juist het teken is dat het kaarsje voor die dag op is). Vichy ziet er 's nachts erg onaantrekkelijk uit.

Alles is donker, nergens zijn gezellige café's, en het Sjonnie-gehalte van de automobilisten dat je tegenkomt is extreem hoog.

En dan zien we, in neon, de F en de O onverlicht: Hotel California.

De deur is op slot (ik ben blijkbaar niet de enige die die Sjonnie-types maar niks vindt), maar er zit een bel.

Ik verwacht een gereserveerde houding, in m'n Michelin-pak van regenbroek en regenjack over motorbroek en jack, vanwege de kou, en m'n zwarte gezicht, door de walmende vrachtwagen, en m'n platte haar, vanwege de helm.

Maar de deur wordt opengezwaaid door een man die de broer van Racker zou kunnen zijn, qua gezicht en qua uitstraling, en met een brede grijns zegt hij "Bienvenue", tegen me, en hij heeft "naturellement" een kamer voor ons, en ook een parking voor de motoren.

 

Ik zwalk naar de receptie in m'n diverse lagen onhandige kleding, en daar hoor ik nog net meneer California tegen mevrouw California "La chambre douze".

Ik blijk te kunnen kiezen uit een kamer met alleen douche of eentje met een bad. Eerst kies ik voor de goedkope, maar dan voelt m'n gezicht opeens nog zwarter en m'n haar nog platter, en m'n pak nog zweteriger, dus ik vraag om toch maar een duurdere kamer te geven.

"Ah", lacht mevrouw California opgelucht, "ça sera chambre douze, dans le jardin". De tuinkamer.

Daar kom je door de gang door te lopen, door wat de woonkamer van de familie California lijkt, door de achterdeur, waar een geheel met plastic platen overdekte binnenplaats is. Naast het enorme prieel (bedekt met een gazen sluier met grote strikken, en voorzien van smeedijzeren krulstoeltjes) is nog net een pad te vinden, waarbij je op moet passen niet over de planten in potten te struikelen. Dan kom je bij de tuinkamer.

Aan alles is te zien dat mevrouw California zelf de kamer heeft gedecoreerd. Een heuze hippie-sprei, de muren in verschillende kleuren, kussens, kleurige dik geplooide voile voor de ramen, een stoel met een gekleurde lap er overheen. Heerlijk!

We krijgen uitvoerige aanwijzingen hoe we bij de parking kunnen komen, en lopen van daar terug naar ons thuis voor vanavond.

In de hotelhuiskamer ligt de dochter des huizes op een van de banken tv te kijken. Wij nemen de andere bank in (uiteraard ook weer bedekt met grote lappen stof; in de tijd dat ik de winkel had moest je dat hebben, "grand foulards". Daar kwamen dames dan om vragen, en ik legde uit dat dat niets anders is dan een lap stof, dus dat je daar elke stof voor kunt uitkiezen die je mooi vindt, maar dan hoefden ze het niet: het moest duur zijn, in een pakje zitten, en er moest "grand foulard" op staan, maar dat terzijde).

Meneer California vertelt ons nog hoeveel zenders er op de tv te zien zijn, en vraagt waar we naar toe gaan en vandaan komen en dergelijke, en of we het naar ons zin hebben in de tuinkamer, wat uiteraard uitermate het geval is.

Hotel California, ik kan me voorstellen dat je daar de rest van je leven blijft hangen...

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: