Sylvia op motor en muren
De muren van Albarracin

Teruel - Alcañiz

In ons hotel in Teruel krijgen we het advies toch nog iets meer van de stad te bekijken: we gaan eerst naar de Amantes (de geliefden) van Teruel voor we vertrekken.

Wanneer we Teruel uit zijn en een doorsteekje proberen, komen we terecht bij opgravingen uit de Kelt-Iberische tijd. Teruel wil ons niet loslaten, zo lijkt het.

Als we echt op weg zijn laat de weg steeds mooiere rotsformaties zien, die uitmonden in Albarracin, een stadje dat als een adelaarsnest tussen de rotsen ligt.

Er is net een feest met stieren geweest, waardoor we het vrijwel voor onszelf hebben.

We rijden daarna nog een poos door de Montes Universales, en komen uiteindelijk terecht op de N420 en N211 naar het noorden.

Die wegen zijn snel en tegelijkertijd mooi, maar het is ook bitter koud.

Wanneer we in Alcañis geen enkel hotel zien behalve een parador kiezen we daarom voor die luxe. We eindigen deze dag op die manier in een kasteel hoog boven het stadje.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

Dinsdag 18 september 2007

We ontbijten in de koffiebar van het hotel, waarbij ik stom genoeg de gelegenheid voorbij laat gaan om een "chocolate" te nemen.

Warme chocola schijnt in Spanje iets anders te zijn als die warme melk met een smaakje bij ons (daar gruwel ik van); het is meer een soort gesmolten pure chocoladereep.

We krijgen daar een plattegrond van Teruel mee, en de opdracht om voor we vertrekken Los Amantes te gaan bekijken. We mogen onze spullen gewoon in de kamer laten: die kamer kunnen ze vanmiddag ook wel schoonmaken, vinden ze.

We nemen ons ter plekke voor om hier een keer naar terug te gaan.

 

Los Amantes de Teruel staan opgesteld in een mooi oud gebouw.

Omdat het een beetje kaal zou zijn om alleen die Amantes te laten zien (er volgt nog een foto van ze) hebben ze er een soort van multimediale tentoonstelling omheen gebouwd, waarin je in de juiste stemming wordt gebracht.

We worden door een donkere ruimte geleid, waar licht schijnt op kartonnen figuren in Middeleeuwse kledij: de Amantes kwamen uit de dertiende eeuw.

 

Er is ook een ruimte gewijd aan de invloed die de Amantes hebben gehad op dichters, beeldhouwers en schilders. Ik weet niet meer zeker of dit van Picasso is of van iemand die als Picasso schildert.

Het verhaal van de Amantes gaat als volgt:

In de 13de eeuw leefde in Teruel een zekere Juan Martinez de Marcilla, die verliefd werd op Segura, de enige dochter van de zeer rijke Pedro Segura. Ze wisten beiden dat haar vader een huwelijk nooit zou toestaan omdat hij niet van rijke komaf was.

Ze beloofde hem dat ze vijf jaar zou wachten, terwijl hij geld zou vergaren. Juan ging er op uit om geld te verdienen (als huursoldaat tegen de Moslims).

Haar vader wilde haar uithuwelijken, maar ze wist voor elkaar te krijgen dat ze dat vijf jaar mocht uitstellen (met een smoes).

 

Maar na vijf jaar was Juan niet terug, en moest ze toegeven aan haar vader.

Juan kwam terug op de dag van het huwelijk. Hij ging op het bed zitten waar ze - getrouwd en al - in lag, en zei: "Kus me, of ik sterf."

Ze antwoordde dat dat niet ging omdat ze getrouwd was. Hij vroeg het nog een keer, en ze antwoordde hetzelfde.

Juan viel toen, zijn belofte getrouw, ter plekke dood neer.

Ze maakte haar echtgenoot wakker en vertelde hem wat er was gebeurd. Die raakte in paniek: iedereen zou denken dat hij Juan vermoord had. Ze brachten het lichaam van Juan samen naar het huis van haar vader.

Segura dacht aan niets anders meer dan aan het feit dat Juan in leven zou zijn als ze hem gekust zou hebben. Ze besloot zijn dode lichaam, dat intussen in de Iglesia de San Pedro lag, te kussen.

Ze kuste zijn dode lichaam zo lang dat ze zelf dood neerviel.

Haar echtgenoot vertelde toen aan iedereen wat er was gebeurd, en de bewoners van Teruel besloten dat ze hen naast elkaar zouden begraven, in hetzelfde graf.

 

Het museum rond los Amantes is dan ook gevestigd in die Iglesia de San Pedro.

Dat maakt het natuurlijk extra leuk om hier rond te lopen. Gelukkig zijn niet alle ruimtes verduisterd.

Hier zie je een detail van de hoek tussen twee muren en het plafond.

 

Er zijn verhalen van andere Amantes (Romeo en Julia, Tristan en Isolde, en zo zijn er nog meer), die je kunt lezen, kunt bekijken in stripverhaalvorm, en kunt beluisteren in het Spaans, er is muziek die bij die verhalen past, er zijn overzichten van films waarin die verhalen zijn gebruikt, en er is natuurlijk het verhaal van de Amantes zelf, dat je in een aantal delen kunt beluisteren, uiteraard weer in het Spaans.

En dan ben je bovenin het gebouwtje beland, en kun je de Amantes zelf bekijken.

Ze liggen in wit marmer, heel decoratief op hun doodskisten, naast elkaar, met beiden een arm uitgestrekt, waardoor ze de hand van de ander kunnen vastpakken.

Een ontroerend beeld.

 

Mooi symbolisch is ook dat de handen elkaar net niet raken.

Wanneer we denken dat we de Amantes gezien hebben wenkt een vrouwelijke suppoost ons: we kunnen de Amantes zelf ook zien.

Maar die hebben we toch net gezien?

Nee, de Amantes zelf, die liggen er onder.

En onder hun beelden liggen dan inderdaad, in marmeren kisten die zijn opengewerkt, hun mummies.

Erg Spaans, voelt dat op de een of andere manier weer aan: nergens vind je zulke gruwelijk-levensechte Jezussen-aan-het-kruis als in Spanje.

Alsof Spanjaarden beseffen dat je de mooie kanten van het leven pas echt goed kunt waarderen als je de gruwelijke kanten ervan onder ogen hebt gezien.

De mummies hebben nogal wat meegemaakt: ze hebben een poos liggen te verstoffen, zijn weer ontdekt, zijn van hot naar her versleept, en tenslotte, ergens in 1950, zijn ze voorzien van die marmeren beelden bovenop.

Zonder die mummies zou het nogal aanvoelen als een goeie tear-jerker: je kunt de emoties niet tegenhouden, maar je kunt ook niet vergeten hoe nep alles is.

Met die mummies erbij is het veel verwarrender, Spaans...

 

In een ruimte onder die van de Amantes kun je nog de afdruk zien van hun mummies: iets minder gruwelijk dan die mummies zelf.

 

Dit is, buiten, de Torre de la Iglesia de San Pedro.

De kerk maakte deel uit van een Fransciscaner klooster, en de Mudejar toren is al in de 13de eeuw gebouwd.

Het is een absurd contrast met de huizen er naast...

In de vijftiende eeuw werden de mummies van de Amantes hier in een zijkapel ontdekt; sindsdien is dat de Capella de los Amantes. Het museum is rond die kapel ingericht.

 

Teruel is dus bij uitstek een bestemming voor een huwelijksreis oid ;-)

En het is een plek waar we beslist nog eens naar toe gaan, langer rondzwerven, kerken en torens bekijken, en op het balkon naar de zonsondergang kijken...

Maar voor deze vakantie zit de tijd in Teruel er op. We rijden weer naar beneden.

 

We rijden over het viaduct over de spoorlijn en de N234, met de binnenstad van Teruel in de spiegels.

 

Op de kaart heb ik een binnendoorweggetje ontdekt naar San Blas, waar we de A1513 willen oppikken. Het is niet duidelijk waar dat binnendoorweggetje begint: we proberen een van de straten hier.

Al snel wordt die straat onverhard. We rijden door: het is prima te doen, en zo'n weg kan opeens ook weer verhard worden.

 

En inderdaad, de weg wordt weer verhard.

We zijn omhoog geklommen: ik kan nog net Teruel in de spiegels zien.

 

We komen langs een aantal half-ingestorte huizen.

Er zijn in Spanje echt heel veel onbewoonde dorpen, waarvan de huizen langzamerhand in ruïnes veranderen.

 

Maar we blijken toch niet op het binnendoorweggetje te zitten: deze weg eindigt bij een hek.

Er staat een groot bord bij, met het opschrift: Proyecto de Consolidacion, cercado y proteccion del yacimiento Iberico del Alto Chacon (Teruel), Project ter behoud, onderzoek en bescherming van de Iberische vindplaats van Alto Chacon.

 

Achter het hek zijn resten van huizen te zien, die op het eerste gezicht niet veel verschillen van de resten van de huizen die we onderweg zagen.

Er is een deur in het hek, en die is niet op slot: het is, ondanks het hek, kennelijk niet verboden om die resten van huizen te bekijken.

 

Binnen de hekken zijn informatieborden langs een route die langs de opgraving voert.

Het zijn de resten van een KeltIberisch dorp (het KeltIberisch was een van de talen die in Spanje werd gesproken voor de komst van de Romeinen).

Het dorp werd bewoond vanaf de 5de eeuw voor Christus tot de eerste eeuw na Christud.

Het ligt op een tafelberg die van nature al aan drie kanten bescherming bood; aan de vierde kan was een muur gebouwd.

De Romeinen kwamen hier vanaf de derde eeuw voor Christus, en het is aan het dorp ook te zien dat er Romeinse invloeden zijn (straten in een recht grid bijvoorbeeld).

 

Er is een Leeuwerik hier, en vanwege het vele roodbruin in z'n staart denk ik dat dit een Thekla Leeuwerik is, hoewel je dat bij dit soort bruinige vogeltjes moeilijk met zekerheid kunt zeggen.

 

Het is hooggelegen, dit Keltiberische dorp: op zo'n 1000 meter.

Beneden ons zien we een onderharde weg lopen langs een maisveld en een groentetuin.

Er lopen twee mannen met een kudde schapen.

 

Het onderharde pad loop verder in de richting van een dorp, met rechts geïrrigeerd gebied met akkers, en links droge, rode heuvels met donkergroene stippen van dennen.

 

Er is een route aangegeven, en dan kom je steeds zo'n informatiebord tegen.

Er wordt verteld dat het dagelijks leven hier eigenlijk niet veel verschilde van hoe er hier in de 19de eeuw werd geleefd.

Dat is inderdaad heel wonderlijk aan Spanje: het is zo wanstaltig rijk geworden dankzij het goud van Amerika, dat heel Spanje in bezit was van een handjevol mensen (die families zijn over het algemeen nog steeds wanstaltig rijk), en die mensen hadden er ruim voldoende aan om hun land door schapen te laten begrazen: ze zwommen toch in het geld voor allerlei luxe die ze uit de rest van Europa konden importeren.

De rest van Spanje heeft daardoor nog heel lang geleefd zoals er in onze Middeleeuwen werd geleefd, en dat was weer een terugval ten opzichte van de tijd van de Moslims, en zelfs van de Romeinen.

Een scheve verdeling van welvaart kan nare gevolgen hebben...

Hier zie je dat je duidelijk kunt zien dat hier een straat met huizen liep.

 

Het lijkt een trapje van niks, en dat is het ook, maar toch was het voor mij een overwinning, na mijn ongeluk, om hier zonder leuning naar beneden te kunnen lopen :-)

Inmiddels is dat gelukkig heel erg verbeterd.

 

We rijden weer terug, langs diezelfde verlaten huizen.

Het is heel waarschijnlijk dat die uit de 19de eeuw stammen. Dan is het dus logisch dat ze zoveel lijken op de resten van die huizen uit de 5de eeuw voor Christus...

 

En zo rijden we weer op Teruel toe: het wil ons niet loslaten (of misschien willen wij Teruel niet loslaten).

 

We blijken eerst een stukje over de N234 te moeten rijden.

We krijgen Teruel nu echt voor de laatste keer in de spiegel (althans, voor nu: we zullen hier terugkomen ooit, al was het maar voor die Ooievaars).

 

We slaan af, de A1513 op, die in een vlak gebied begint, en geheel recht is.

Deze enorme boerderij staat vlakbij San Blas.

 

Even later rijden we door San Blas - met kerk.

De fundamenten van de kerk zijn restanten uit de Romeinse tijd.

 

Als we San Blas uit zijn, rijden we de heuvels in.

Dit zijn de heuvels waar de tafelberg van Alto Chacon deel van uitmaakt.

 

Het blijft heuvelig.

Een eind verderop ligt El Campillo, uiteraard ook met kerk.

De kerk uit uit de Barok, uit de 18de eeuw.

 

We rijden verder door de heuvels, en na verloop van tijd beginnen we bergen te zien in de verte.

Die bergen vormen de Sierra de Albarracin.

 

Vanaf het moment dat we die bergen inrijden, de Sierra de Albarracin, zien we dit soort rotsen tussen de bomen.

Dit is de Paisaje Protegido de los Pinares de Rodeno.

De grijze rots die je hier ziet is eigenlijk rood gekleurd (maar aan de lucht verkleurt dat naar grijs). Die rode zandsteen heet Rodeno in het Spaans.

Kalkzandsteen is zacht. Daardoor kunnen er van die groeven in ontstaan, door wind en water, en is alles zo afgerond.

 

We rijden over een smalle weg, en komen een bord tegen dat vertelt dat er werk aan de weg is.

Het mooie is dat er precies daar een grote kei op de weg ligt: alsof dat bord daar voor die kei staat.

 

Maar het blijkt niet om die kei te gaan: er wordt hout gehakt op dit moment.

We rijden voorzichtig rijden omdat er om elke bocht een vrachtwagen of een te ver gevallen boom kan staan of liggen.

 

De rotsen om ons heen worden hoger.

Ze lijken te bestaan uit op elkaar gestapelde reuzendamstenen van verschillende groottes en diktes.

Hier zie je ook beter dat ze rood zijn, die rotsen, net als de aarde tussen het groen.

 

Waar er een stukje vlak is op die rotsen groeien donkergroene dennen, om het rood nog beter uit te laten komen, zo lijkt het.

De weg kronkelt tussen dit landschap door, vaak in scherpe bochten.

 

Hier zie je nog mooier hoe rood de rotsen zijn.

Het is oppassen nu, op deze weg: waar bomen gekapt zijn ligt veel zaagsel op de weg. Maar het is prachtig rijden, zowel door het landschap als de weg zelf.

 

Hier komen we langs een auto en een trekker; we kwamen onderweg meer voertuigen van houthakkers tegen.

Die dennen, die zo mooi kleuren bij de rode rotsen, staan hier dus niet helemaal vanzelf.

 

Ze zijn prachtig, die rotsen van Rodeno!

 

Ook waar ze grijs zijn uitgeslagen zijn ze indrukwekkend.

 

We klimmen.

Hier rijden we als het ware tussen de toppen van die Rodeno rotsen.

 

In Arrabal Santa Barabara is een T-splitsing waar we linksaf moeten, en dan krijgen we een overdonderend uitzicht op een dorp dat hoog boven ons als het ware tegen een rots lijkt aangeplakt, met een enorme muur daarboven over de volle breedte.

Albarracin..

 

Hier zie je het stadje in meer detail, ingeklemd in een kloof.

De toren met het blauw-witte dak is van de Catedral del Salvador de Albarracin, uit de 13de eeuw.

Links zie je een deel van de muren, aan de andere kant van het gedeelte dat op de foto hier boven te zien is.

Albarracin maakt heel handig gebruik van de natuurlijke ligging: de muren hoeven net rondom de stad te liggen.

 

En hier zie je een deel van de muren in detail.

De naam, Albarracin, laat al zien dat deze stad uit de tijd van de Moslims stamt. Albarracin was een Moors koninkrijkje.

Het is nog lang zelfstandig gebleven, en verschillende malen vergeefs belegerd, tot in 1285 Pedro III van Aragon het wist te veroveren. Sindsdien hoort het bij Aragon.

 

Een tunnel (hier op de foto) leid je onder de rots door waar het dorp tegenaan is gebouwd, en dan zie je aan de andere kant dat het dorp niet alleen tegen, maar ook over de rots heen is gebouwd.

De rots vormt hier een soort zadel tussen twee hogere gedeelten, en daar hangt dat dorp aan en op. Dorp is natuurlijk eigenlijk niet het juiste woord voor iets dat ooit de hoofdstad van een koninkrijk was...

We zetten de motoren neer op een zanderige parkeerplaatsje, en klimmen (via trappen) naar boven.

 

We lopen het stadje in via een van de poorten: de Portal del Agua.

De poort van het water heet zo omdat stadsbewoners via deze poort naar het water van de Guadalaviar liepen, de rivier waar Albarracin aan ligt.

 

Albarracin blijkt een wirwar te zijn van stegen en trappen (terwijl het vanuit de verte leek alsof het uit één straat bestond, in de breedte, met een kerk).

Dat hadden we kunnen weten: elke door de Moslims gebouwde stad is zo'n wirwar van krom lopende straten en trappen.

Je ziet ook goed dat er gebouwd is om in de zomer nog wat schaduw te hebben: smalle straten, overstekende dakranden.

 

We klimmen omhoog.

We staan hier bij de Iglesia de Santiago (begin 16de eeuw), en kijken vanaf die kerk uit op de Catedral (met het blauw-witte dakje).

 

Er is een klein Plaza Mayor (die hier de Plaza de la Communidad heet), waar mensen bezig zijn houten stellages af te breken, en er ligt zand in de stegen, en alles is dicht.

Langzaam daagt het: gisteren was hier feest, en werden er stieren door de stegen en over de trappen naar deze Plaza de la Communidad gejaagd, om daar door een toreador gedood te worden. Het is het feest van de patroonheilige van Albarracin, het Fiesta de San Anton.

Er zijn dan bovendien vreugdevuren in de straten van Albarracin. In Spanje zijn ze niet kinderachtig met feestvreugde :-)

 

Dit is hoe Plazas de Toros zijn ontstaan: een rond plein, met huizen aan alle kanten, werd gebruikt als arena.

Er zijn er nog verschillende op deze manier in gebruik.

Het mooie van het feit dat we op de dag na het Fiesta de San Anton in Albarracin zijn is dat Albarracin niet, zoals meestal, vergeven is van de andere toeristen (we zien er net een paar op deze foto, trouwens).

Maar het lastige is dat het erg moeilijk is een plek te vinden waar je iets kunt eten en drinken: echt alles is dicht.

 

Bij onze zoektocht naar een bar komen we terecht aan de andere kant van het stadje.

Een paar foto's hier boven stonden we bij de muur aan de overkant, bij de Iglesia de Santiago; nu staan we bij de kathedraal, ook weer hoog boven de daken van Albarracin.

 

Albarracin mag dan heel klein zijn; het zit vol hotels, zoals hier, Casona del Ajimez.

Het is geliefd voor een weekendje uit voor Spanjaarden; ik denk dat je hier door de week meestal wel vrij rustig kunt lopen, maar in het weekend zul je hier in de file lopen.

De hotels zitten allemaal in mooie oude huizen: het is erg sfeervol verblijven hier.

 

Deze straatjes, gebouwd door de Moslims, en duidelijk bedoeld voor voetgangers en ezels, worden gewoon gebruikt met de auto.

In dit soort stadjes zie je zelden borden "verboden voor auto's". Het is gewoon een kwestie van: als het past, en als je durft, dan mag het.

En het hoeft echt maar net te passen...

 

Alle huizen hier zijn antiek, en vaak zijn er mooie details, zoals deze deurklopper.

 

We vinden uiteindelijk een restaurant dat open is. Er gaat een trap omhoog naar de "comedor", de eetzaal.

Maar ik hoor geluid uit de bar beneden, en dat lijkt ons veel gezelliger.

Als ik de deur probeer open te doen verschijnt er een hoofd, dat vertelt dat de bar gesloten is. Die willen even geen toeristen erbij, denk ik.

Even verderop vinden we dan toch een bar die *wel* open is. Temidden van de locals eten we daar, met uitzicht op de bergen rondom.

Ik heb het idee dat we een zeldzaam geluk hebben, dat we Albarracin vandaag helemaal voor onszelf hebben.

 

Hier kun je mooi zien hoe het stratenplan van Albarracin er uit ziet: kromme straten, stijgend en dalend, en trappen waar het te steil is.

Wat je ook mooi kunt zien is dat de huizen van vakwerk zijn, met een houten skelet.

 

We dwalen terug naar de parkeerplaats waar de motoren staan.

We hebben ze laten staan met tanktassen en al: we hadden het gevoel dat dat hier kon.

En het blijkt dat we gelijk hadden: ze staan keurig, bepakt en al, op hun plek.

 

We rijden verder, door de kloof waar Albarracin in ligt.

 

De rotsen rijzen hoog op, naast ons.

Je ziet hier weer mooi de lagen lopen, in plooien.

 

Ze zijn oranjerood, de rotsen, met delen die grijs-verweerd zijn.

Je ziet ook goed dat het kalkzandsteen is, aan de gaten en groeven.

 

Er is een splitsing van wegen, waar we linksaf slaan.

Een stuk verder komen we door Calomarde. Daar staat dit kerkje, de Iglesia de San Pedro Apostol, een neoklassieke kerk, uit de 17de eeuw.

 

Een bord waarschuwt ons voor een langdurige afdaling, met veel bochten. Uitstekend!

 

We dalen en dalen, in bochten en bochten, en rijden dan af op Frias de Albarracin.

Fria betekent koud, en dat is het ook, gebaar ik hier aan Ernst.

 

De weg daalt niet meer echt na Frias de Albarracin. Hij slingert prachtig tussen de bergen door.

 

Even verder komen we een vreemd beeld tegen, een stukje van de weg: een enorm metalen figuur met ster.

Het beeld geeft aan dat daar de Naciamento del Tajo is, de bron van de Taag (maar het verband is ons niet duidelijk).

 

De metalen man staat er niet in z'n eentje: het momument is een beeldengroep. Er is ook een man te paard te zien, een beker, en een stier.

Ik lees nu dat de enorme man met de ster op z'n hoofd de Tajo voorstelt (de Taag is de langste rivier van Spanje); de stier stelt de provincie Teruel voor, de ridder te paard stelt de provincie Guadalajara voor, en de beker stelt de provincie Cuenca voor.

Het andere "ding" is een gestileerde kaart van Spanje waarop dje de Tajo (de Taag) kunt zien stromen.

 

We rijden dan een pas op, van de Monte Pinar de la Mabria.

Het landschap verandert: het is hier dor, kaal en koud. Maar erg mooi ook.

 

Aan de andere kant van de Monte Pinar groeit dennenbos.

Het bord belooft ons minsten 5 kilometer lang bochten.

 

Als we weer naar beneden zijn gereden rijden we lange tijd door een dennenbos over een erg hobbelende weg.

Hier loopt een man ver van de bewoonde wereld. Als je goed kijkt zie je rechts van de weg schapen: hij is een herder.

Ongelofelijk eigenlijk dat dat nog bestaat in Spanje. Het is een erg eenzaam beroep, en levert extreem weinig op per uur.

 

Het is vermoeiend rijden: het is koud, de weg is vol hobbels en gaten, en er liggen op veel plekken stenen op de weg.

Het is hier prachtig verlaten.

 

We komen - achter hekken - vechtstieren tegen.

Dat is iets dat mensen die tegen stierengevechten zijn nogal eens vergeten: die stieren hebben het beste leven denkbaar wanneer ze leven.

En ik weet nog zo net niet wat te verkiezen is: een dood in het abbattoir, of een dood tijdens een strijd waarin je zelf ook controle hebt, en door de adrenaline niet veel zult voelen.

Als ik een stier was zou ik voor het leven en de dood van een vechtstoer kiezen (maar, toegegeven, naar een stierengevecht gaan vind ik moeizaam).

 

Verkleumd komen we aan in Bronchales, dat aan de rand ligt van de Montes Universales, op zo'n 1500 meter.

Bronchales noemt zich dan ook het Balcon de España.

 

We zijn nu uit de bergen, en rijden door een kaal, hooggelegen landschap.

Het is een prachtige weg: je kunt elke bocht van verre al doorkijken.

 

Vergeleken met het rijden door de Sierra de Albarracin en de Montes Universales vliegen we nu over de kaart.

Dit is Pozondon, en de toren met kantelen is de Torreon El Buco, die als enige is overgebleven van de vestingwerken die ooit Pozondon verdedigden.

 

En wanneer we door Pozondon rijden, komen we langs de 16de-eeuwse Iglesia de Santa Catalina.

 

We zijn al lange tijd op zoek naar warmte.

Dan, voorbij Santa Eulalia, op het kruispunt met de A23, is er een wegrestaurant met benzinestation: Hostal Restaurante Suvesa.

Bij het benzinestation wijst een klein meisje naar de Mulhacen, en meldt aan haar moeder: "Ik wil ook zo'n motor".

We tanken daar, en drinken een kop koffie om op te warmen.

Dit soort wegrestaurantjes met hostal zijn vaak erg leuk: goekoop, vriendelijk en goed.

 

We rijden verder in de richting van Alfambra.

Er komt een splitsing waar geen borden bij staan. Ik kies links, maar zie op m'n kaart dat ik rechts had moeten nemen.

Dat wordt keren, en dat is altijd lastig met de Mulhacen (z'n stuuruitslag is nog veel minder dan die van de gemiddelde Ducati, dan weet je het wel :-)

 

Als we eenmaal op de weg zijn die we moeten hebben rijden we door een soort Painted Desert: een landschap van heuvels en akkertjes van rode aarde en stoppelvelden.

De heuvels zijn opgebouwd uit gekleurde lagen, en eigenlijk zijn het geen heuvels maar tafelbergen.

 

Er zijn allerlei verschillende kleuren te zien. Hier rood en wit.

 

Het is vaag, maar je kunt zien dat er overal waar je kunt kijken van dat soort tafelbergen zijn.

Links zie je er eentje in vurig oranje.

 

Een wonderbaarlijk landschap.

Hier zie je goed dat het om tafelbergen gaat.

 

Op deze tafelberg stond ooit het Castillo de Alfambra.

Op de ruïnes van dat kasteel is in 1956 een enorm Christusbeeld neergezet, dat nu over Alfambra uit kijkt.

 

Het Christisbeeld op de tafelberg kijkt uit op Alfambra, waar we even later in terecht komen.

In de straten ligt overal oranje "spul": het heeft hier blijkbaar heel hard geregend, en de modderstromen van de gekleurde bergen hebben een enorme hoeveelheid modder achtergelaten.

Het is een beetje zoeken naar de oprit van de N420.

Mensen wandelen door de modderstraten: het is paseo-tijd, koud of niet.

 

We vinden tenslotte de oprit naar de N420.

Links zie je het oude stationnetje van Alfambra (dat nooit heeft gefunctioneerd, zie hier onder).

 

Even verderop zie je aan de linkerkant het viaduct waar het nu niet meer gebruikte spoor overheen loopt.

Daar lijkt op het eerste gezicht een treintje op te staan: een locomotief met een wagon.

Maar als je beter kijkt zie je dat het plat is, tweedimensionaal.

Het is een kunstwerk, El Sueño, de Slaap.

Het is gemaakt door Juan Jose Barragan, en hij wil hiermee iedereen er aan herinneren dat hier ooit plannen waren voor een spoorlijn.

Tijdens de dictatuur van Franco had Primo de Rivera plannen om een spoorlijn te bouwen tussen Teruel en Lleida, maar het spoor is nooit tot stand gekomen, tot grote frustratie van Teruel en omgeving: Teruel lag lang bijna onbereikbaar, en het was daardoor moeilijk om geld te verdienen in deze streek.

Langs de route van het spoor, tussen Teruel en Alfambra, is nu een fietsroute.

 

De N420 schiet op, en is ook mooi tegelijkertijd.

We rijden nog steeds door een painted desert.

De wind is ijskoud.

 

Bij Mezquita de Jarque, met een mooi kerkje dat vast ooit moskee was, stoppen we om de fleeces en regenkleren aan te trekken, tegen de kou.

We trekken alle kleren die we bij ons hebben over elkaar heen aan: op deze kou hadden we niet gerekend.

Deze streek, rond Teruel, heeft eenzelfde soort klimaat als Madrid. In Madrid is het gemiddeld 9 maanden lang een oven, en 3 maanden lang een vrieskast. September hoort nog bij de oven-tijd, maar de kou is kennelijk vroeg ingetreden dit jaar.

Het komt door de combinatie landklimaaat en hoogte.

 

De weg klimt. Op het hoogste punt, waar de weg door de Sierra de San Just loopt, duikt een tunnel onder de bergrug door.

Dit is de Puerto de San Just, en je ziet aan de windmolens dat het hier meestal flink waait.

 

Na deze Puerto (het Spaanse woord voor bergpas) dalen we langdurig (maar niet steil).

Het landschap is nog steeds kaal, heuvelig.

Het begint te schemeren.

 

We rijden door Utrillas, en kijken weer tegen een bergrug aan.

Hier ook de kerktoren van het 17de-eeuwse kerkje van Utrillas.

Utrillas is een oud mijnstadje: al eeuwenlang werd hier steenkool gewonnen.

 

Aan de kleuren van de rotsen kun je zien dat hier niet alleen maar steenkool zit, maar ook allerlei mineralen.

 

De N420 komt uit op de N211, die we rechtsaf op slaan.

De eerste plaats waar je dan doorheen komt is Montalban.

De kerk waarvan je de toren ziet is de Iglesia Parroquial Santiago el Mayor, een Mudejar kerk, van baksteen, op de mooie, sobere manier van de Spaanse Moslims versierd.

Op de rots er achter staat iets dat lijkt op resten van verdedigingswerken ooit. Geen idee of het dat inderdaad is.

 

Via een indrukwekkend bergachtig gebied rijden we de Maestrazgo binnen, en steken we de Puerto de las Traviesas over (1180 meter).

Het is een bar landschap hier, met nog steeds veel gekleurde rotsen en dennen.

Hier rijden we in Gargallo.

 

Het begint behoorlijk schermig te worden, maar nog steeds kunnen we de kleuren zien van de rotsen om ons heen.

 

Het wordt steeds donkerder, en het is nog steeds heel koud.

We rijden hier door Alcorisa. Je ziet hier de achttiende-eeuwse toren van de Iglesia de la Virgen de la Asuncion, en je ziet ook de rots achter Alcorisa.

Hier is duidelijk het fenomeen opgetreden dat ik te moe ben om te beseffen dat ik al lang een plek had moeten zoeken om te eten en te slapen. Er zijn hier genoeg hostals, maar ik besef niet meer dat ik dat nodig heb, en rij door, en door, en door.

Ernst houdt er van om lang door te rijden (en vreemd genoeg speciaal in het donker). We beseffen op dit moment beiden nog niet dat er bij mij na m'n ongeluk iets permanent is veranderd in m'n stamina, en dat we al lang hadden moeten stoppen.

 

We rijden dus door, en de gekleurde rotsen maken plaats voor olijfbomen, in een keurig grid.

Tenslotte komen we - het is al lang helemaal donker - aan in Alcañiz.

We zien een P van Parador en we zijn zo bevroren en moe dat we die maar volgen: we zien nergens een ander hotel (hoewel er zat moeten zijn natuurlijk).

 

Het parador zit hoog boven de stad, in het Castillo de los Calatravos, in het kasteel van de orde van de Calatraven dus. De Calatraven waren een militaire orde die zich vooral hebben ingezet om de Moslims uit Spanje te verjagen.

Wij zijn bijzonder gesteld geraakt op de Moorse (Moslim) architectuur van Spanje, en door te lezen over die geschiedenis weten we ook dat het een tijd was van tolerantie en welvaart. De orde van de Calatraven wekt dus bij mij niet bepaald sympathie op...

Dit is de ingang van het kasteel, en daarmee van het parador.

 

Er is nog één kamer leeg, de duurste, maar die krijgen we voor de prijs van de goedkoopste kamer.

Het is een suite met woonkamer met badkamer, en een trap naar een slaapkamer met een tweede badkamer.

We eten in het restaurant, met erg stugge bediening die duidelijk hun best doen om iedereen om tien uur weg te krijgen (terwijl overal elders de avondmaaltijd dan pas begint).

Maar het is warm!

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: