Sylvia met kaart op terrasje
Drinken!

Valor - Cuenca

Nog een stukje dwalen door de Alpujarras en dan de Sierra Nevada oversteken, met zicht op Guadix.

Via verrassende landschappen doorsteken naar Cazorla, waar de Guidalquivir ontspringt. Aankomen in Cuenca.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

Woensdag 31-5-2000

Gisteren ben ik nog iets vergeten: behalve gekko's zien kruipen hebben we ook papegaaien zien vliegen. Toen we in Lanjaron wat zaten te drinken begon Ernst opeens over de papegaaien ( Monniksparkieten ) die we overal in Barcelona zagen, en waarvan het eigenlijk vreemd was dat we die helemaal nergens anders zagen.

Op hetzelfde moment horen we de bekende vrolijke lelijke keiharde papegaaiekreten, en vliegen er een paar voorbij!!!

Maar goed, we zitten nu aan de bar beneden, koffie te drinken. Dezelfde jongen als gisteravond staat achter de bar, en hij is nogal verlegen: zodra hij heeft gevraagd wat we willen drinken, haalt hij de koffie, zet die voor ons neer, en verdwijnt zonder dat we de gelegenheid krijgen om te vragen of we misschien ook nog wat mogen eten ;-)

Ik moet naar de andere kant van de bar lopen, waar hij zich heeft verstopt, en dan gaat hij overheerlijke tostada's klaar maken, met tomatenpulp, en ham voor Ernst.

Tijdens het inpakken voer ik hetzelfde ritueel uit als elke ochtend sinds we uit Trujillo zijn vertrokken: de kaart uitvouwen op de grond, en een mogelijke route tekenen. Vandaag moeten we naar het noorden, en Cuenca , bijna ter hoogte van Madrid, ten oosten daarvan, lijkt een mooi doel.

Het frustrerende is dat er nog zo verschrikkelijk veel Sierra's op de kaart staan die we nog niet hebben gezien, en witte of gestippelde wegen vol kronkels, en plaatsen met veelbelovende namen, en Parques naturales, en kustlijnen zonder toeristendorpen. We willen hier helemaal niet weg!!! En om bij Cuenca te kunnen komen moet ik nota bene de balpenlijn zelfs nog een stukje langs de snelweg tekenen...

 

Vanaf Valor, waar we nu zitten, gaan we al snel een weggetje linksaf in, dat ons dwars door de Sierra Nevada gaat brengen. We klimmen al snel omhoog, wat enorme vergezichten oplevert over het dal ten zuiden van ons: Ernst vindt weer overal fotogenieke plekjes.

 

Ik lees trouwens net in een van mijn gidsjes, dat het "verboden" onverharde weggetje, vroeger alleen in juli en augustus open was voor publiek; de rest van het jaar was het wegens sneeuw gesloten, want er werd (en wordt) niets aan gedaan om het sneeuwvrij te houden.
Het was een hele gevaarlijke weg ("an arduous and occasionally spine-tingling drive on a shocking road"). Het was de hoogste weg voor auto's en motoren van Europa.
Dat was dus zeker een experiment waard geweest!

*Red. wat jammer nou, heb ik een gezegsgetrouwe vrouw ;-(

 

Valor lag al vrij hoog (we moesten gisteravond truien aantrekken, en Ernst heeft me zelfs zijn winterjas gegeven, waarin ik het niet te warm had), maar nu klimmen we nog veel hoger, en op een gegeven moment zien we overal sneeuw.

 

De weg is voor het grootste gedeelte goed geasfalteerd, en langzamerhand kan ik niet meer vatten hoe je in Nederland eigenlijk bochten kunt leren rijden, want hier rij je door de ene steuntjesschraapbocht na de andere.

 

We rijden over het hoogste gedeelte van de pas, en kunnen nu het dal voor ons inkijken.

 

Een dal met meteen aan de horizon alweer de volgende Sierra om naar uit te kijken, en, veel dichterbij, een enorm kasteel (ditmaal uit de renaissance, en niet van de Moren) op een heuvel, met vier torens, met ronde daken er op, bij La Calahorra .

 

*Red. Bah dat had ik veel liever niet geweten, ik droomde me de woeste moren die daar wilde feesten gaven, zijn het van die homo's die dat kasteel hebben gebouwd, stelletje naäpers...

Eenmaal voorbij Calahorra moeten we een stuk de snelweg op: eerst naar het noordwesten, en dan de snelweg van Granada naar de kust op, naar het noordoosten. De enige manier om om de Sierra de Baza heen te komen, die we al vanaf de Sierra Nevada zagen liggen.

 

Het eerste stuk, tot aan de "Autobahnkreuzung" is heel saai, echt hopeloos snelweg rijden. Maar bij die Autobahnkreuzung, bij Guadix, wacht ons een verrassing.

Ten eerste is de kruising prachtig geregeld: ik zie de snelweg die we op moeten onder ons doorlopen, naar rechts, maar we kunnen er niet komen! We moeten een kilometer of zes doorrijden richting Granada (ik zie al aan Ernst dat hij er helemaal niets meer van snapt), dan moeten we via de afslag terugrijden, over diezelfde zes kilometer, en dan kunnen we via een splitsing de goeie kant op.

Maar een veel grotere verrassing zijn de canyons die we hier zien! Het is echt alsof je in Arizona zit: loodrechte imposante wanden (al zullen ze in de States wel groter zijn, want daar is alles groter), aan beide kanten van de weg, sommige heel dichtbij.

 

Vlakbij Guadix zien we ook nog grotwoningen, die gewoon in gebruik zijn. Is ook heel handig natuurlijk, want je hoeft veel minder wanden te bouwen, en het is heel lekker koel natuurlijk. Alleen dat uitzicht over de snelweg zou me niet echt bevallen.
Je ziet het, zelfs de snelweg wil in Spanje maar niet ellendig worden.

We rijden nog een kilometer of 25 door, steeds met uitzicht op canyons die de hoogvlakte waar we over rijden doorklieven (bij Guadix zagen we de canyons vanuit de diepte; nu rijden we op de hoogvlakte).

Op de een of andere manier stikt het hier van de kleine vliegjes. Eerst denken we zelfs dat het is gaan regenen!

De weg linksaf voert ons zo te zien (op de kaart) door een enorme vlakte, en komt dan uit bij de Sierra de Cazorla , waar alle wegen weer groene strepen hebben en kronkelen.

 

Eerst hebben we een vrijwel kaarsrecht stuk, tussen de olijfbomen, maar dan, na Bacor Olivar , rijden we opeens een aantal bochten tussen loodrechte rode rotswanden die ons het zicht benemen.

Dat hebben ze volgens mij expres gedaan om de verrassing des te groter te maken, want opeens openen de wanden zich, en kijken we uit op werkelijk fenomenale canyonwanden, die oprijzen uit een enorm stuwmeer.
Normaal gesproken ben ik geen liefhebber van stuwmeren, maar die blauwgroene kleur onder het rood en oranje en wit (in horizontale, een beetje schuin lopende banden) van de rotsen maakt het nog mooier dan het al is.

 

"Oh" en "Ah" roepend naar elkaar rijden we naar beneden, en als we de brug gepasseerd zijn klimmen we omhoog, en zitten opeens helemaal midden in een sprookjesbos van rotsen.

 

Loodrechte wanden, spitse bergen, grotten, maanlandschappen,

 

alles heb je hier, in alle kleuren, en je kronkelt er om heen.

 

Het meest wonderbaarlijke vind ik eigenlijk nog dat dit op geen enkele manier een "bezienswaardigheid" is of zo. Vergeleken hiermee steekt de Gorges du Tarn maar heel magertjes af. Nu moet ik ook alweer mijn uitspraak over de mooiste bergen van Spanje herroepen...

 

In Pozo Alcon slaan we linksaf, en we zijn alweer hard toe aan iets te drinken.
De weg loopt nu door een bos, heel anders dan daarnet tussen de kale rotsen.

 

Hier kan er na elke bocht een watervalletje zijn, en we gaan voortdurend op en neer.

 

Tenslotte ziet Ernst een bordje naar een bar/café, via een weggetje dat steil naar links, naar beneden loopt.
Beneden is een pleintje voor het café, met enorme bomen die heerlijke schaduw geven, en behalve een aantal tafeltjes en stoelen is er ook een bak waar drie waterspuwers water in laten stromen.

 

Als altijd bestelt Ernst een aantal flesjes Kas limon en "una grande agua", maar dat water vindt de cafébaas onzin: we kunnen toch gratis water krijgen uit de waterspuwers? Uiteraard is het superlekker water, en zo zitten we een half uurtje in een paradijsje (met overal zingende vogels uiteraard) dat totaal verschillend is van het overweldigend mooie landschap waar we net vandaan komen.
En dan hebben we vandaag ook al door de sneeuw gereden!

 

We stappen weer op. Het is langzamerhand erg vermoeiend rijden geworden voor mij. Als de wegen wat slechter en hobbeliger zijn glij ik echt voortdurend naar buiten, dus ik moet mijn tempo aanpassen en heel erg uitkijken.

 

De weg blijft nog een poos lekker door het bos slingeren, en dan opent het landschap zich: rechts van ons is een zacht glooiiend laag heuvelgebied, als een lappendeken bezaaid met olijfboomgaarden, tot zover je kunt kijken.

 

"De olieramp" noemt Ernst het, maar ik vind het eigenlijk wel wat hebben, die olijfbomenzee.

*Red. het is gewoon zo zonde als je je bedenkt dat het net zulke mooie landschappen zuden zijn als we even daarvoor hebben gezien, maar inplaats daarvan is het een uitgestrekte woestenij met laagstam olijfbomen ;-(

We gaan er doorheen, via een hobbelig weggetje uiteraard.

Dat weggetje leidt ons naar Cazorla , van waaruit een lange witte weg ons langs het eerste gedeelte van de Guadalquivir zal leiden, die hier vreemd genoeg naar het noordoosten stroomt.

Ik ben stiekum heel erg naar dikke rode wegen aan het verlangen, met lekker asfalt, dus ik heb er eigenlijk niet veel zin in.

 

Het blijkt enorm toeristisch te zijn, deze "Coto Nacional de Cazorla" . Heel veel campings, parkeerplaatsen, en hotels.
Hier in dit park ontspringt de Guadalquivir. Wij rijden er langs vanaf het moment dat hij een beekje is, en zien hem groeien. Het mooie is natuurlijk dat je hier overal in de rivier kunt zwemmen, en dat alles hier bos is, zodat je de broodnodige schaduw hebt.

 

*Red. het mooiste was eigenlijk dat we al heel snel over een bruggetje reden met een heel klein beekje vol kleine visjes, dit vond ik zo mooi dat ik dat even ging vastleggen voor de grote ooit te verwerken fotobase, van toen alles nog mooi was...
Sta ik daar die foto te maken, zie ik het bordje met daarop dat dit de Guadalquivir is, ik snap er eerst helemaal niks van want hij stroomt kompleet de verkeerde kant op in mijn ogen, we komen net uit zijn delta en die licht helemaal in het Zuidwesten, en de beek stroomt strak noordoostelijk ?!? Hoe ken da noe ???

 

De weg is prachtig, dat moet ik toegeven: smal en bochtig, en het uitzicht op de rivier is leuk, maar ik heb zo'n genoeg van het gedrag van de GS, dat ik zo snel mogelijk naar een rode weg wil. Ik rij dan ook heel hard door, ook al schuift hij overal weg.

Tenslotte, na veertig kilometer, staan we voor een stoplicht (!) voor een sluis over de Guadalquivir, die hier terugbuigt naar het zuidwesten.
"Heerlijke weg he?", vraagt Ernst, en ik zeg maar dat ik niet kon wachten dat hij was afgelopen, omdat de GS zo kloterig rijdt. Volgens mij gelooft hij het niet, omdat ik zo hard reed...

Even later hebben we een auto voor ons, die hard optrekt op de rechte stukken, maar, inderdaad, in de bochten is het echt een sjopperrijder. Ik haal hem dus in, maar dat kan meneer niet hebben: hij trekt extra hard op en schuift naar links.

Ik geef een hengst aan mijn gas, brul er een paar keer mee en doe nog twee pogingen, maar hij laat me er niet langs, Nu wordt ik echt woest, en ga pal bovenop zijn bumper rijden, telkens een hengst aan mijn gas gevend.

Hier krijgt Ernst natuurlijk de zenuwen van. Hij komt naast me rijden om te vragen of ik alsjeblieft even kalm aan wil doen, dus laat ik me maar afzakken. Ernst duwt hem vervolgens voor mij de kant en zet hem stil, en dan scheur ik hem voorbij, op mijn voorhoofd wijzend.

Ik denk dat dit de keerzijde is van het galante gedrag van de Spanjaarden: ze kunnen het natuurlijk niet laten gebeuren dat ze van een vrouw verliezen, ook al rijden ze dan in een auto. Ik vind het best, als ze dan ook maar doorrijden.

 

Enigszins ziedend rij ik verder, wat het tempo natuurlijk flink opjaagt.

Ik koel weer een beetje af als we Hornos de Segura zien, een dorpje (met Moors kasteel) dat op een tafelberg is gebouwd.

Het is compleet onduidelijk hoe die mensen bij hun huizen kunnen komen, want de wanden van die tafelberg zijn loodrecht, laat staan hoe ze het materiaal voor die huizen daar hebben gekregen, en de boodschappen er nu krijgen.

Als Ernst Hornos aan het fotograferen is kruipt de automobilist heel langzaam voorbij ;-)

*Red. En kon ik het misse lulletje in zijn GDI vastleggen om hem virtueel aan de schandpaal te nagelen...

 

Een eindje verder kunnen we rechtdoor steken via een heel slecht weggetje, zodat we een lus van een kilometer of twaalf, de officiële weg, kunnen omzeilen. Het flauwe is dat ze aan het eind van de weg een barrière van aarde hebben opgeworpen, maar er is een paadje uitgesleten door voetgangers, en Ernst brengt beide motoren via dat paadje op de weg. Ik ben uitgeput.

*Red. dus moet het opgewonden standje verplicht een half gesmolten snickers eten en een fles Kas leegdrinken, en begin ik maar eens over of het nog wel slim is dat ze zich zo af loopt te matten terwijl het veel makkelijker kan...

Nog een stukje gele weg (waarbij we Andalucia uitrijden), en dan eindelijk, eindelijk, de rode weg waar ik zal lang naar heb verlangd. Het is inderdaad een verademing, maar aan de andere kant... Het blijkt een hele mooie rode weg te zijn, met fantastische bochten, en ik kan Ernst nu helemaal niet meer bijhouden. Eigenlijk nog frustrerender dan die kloteweggtjes waar ik op weggleed.

Tijd voor een verfrissing.

We bekijken de banden van de RoadRunner, want het Ernst nu wel opgevallen dat het minder gaat, en het hele middenvlak is kaal!
Dat is heel vreemd, want we hebben eigenlijk alleen maar bochten gereden. Dan bekijkt Ernst z'n eigen banden, en wat blijkt bij de vergelijking: hele stukken profiel op de zijkanten van mijn banden zijn ook verdwenen! Alleen de allerdiepste stukken profiel, die aan de buitenrand uitkomen, zitten er nog.

Die band is al heel erg lang compleet op. Daar valt inderdaad niet lekker meer mee te rijden.

Ernst vindt natuurlijk meteen dat hij op de Roadrunner moet rijden en ik op de R3B, maar daar schieten we niks mee op in mijn ogen. Uiteindelijk komen we op het compromis dat we zullen wisselen.

Ik stap nu dus op de R3B, en Ernst rijdt, met de kaart, voorop op de RoadRunner.

Jezus, wat een verschil! Af en toe zegt Ernst tot waar ik door kan rijden, en dan kan ik vooruit. Eindelijk weer lekker bochten rijden! Eindelijk weer gewoon de bocht induiken, want de R3B komt er toch altijd doorheen. De rode weg is echt perfect om er weer van te kunnen genieten: bocht na bocht na bocht, van de snelle soort, en af en toe een krappe.

En Ernst merkt eindelijk zelf hoe onmogelijk het rijden op de Roadrunner is geworden...

*Red. Ja dat is heel vreemd ik reed op dezelfde banden die gewoon iedere richel en beschadiging achterna liepen, en ging er van uit dat het overgevoelige temperamentuurtje het zoals wel vaker overdreef "Ik zie helemaal niks meer" is ook zo'n gevleugelde stelling als ze in het pikkedonker een pas afdendert met dik 80...

Maar dit was echt *heel* naar: iedere bocht dribbelt ie naar buiten, en als je je gas dichtdoet of verder open glijdt ie steeds aan de voorkant een stukje weg, het is niet gevaarlijk, want hij verliest niet veel grip, maar het is o zo slecht voor je bochtensnelheid, want het voelt zo enorm onzeker dat wil je niet weten...

Langzamerhand begint de tijd een beetje te dringen: ik heb het Parador in Cuenca gebeld, om een kamer te reserveren, en heb gezegd dat we er na tien uur zullen zijn. Het liefst wil ik er dan ook zijn, dan kunnen we ook nog op ons gemak eten, maar ik denk dat dat niet meer lukt.
Eigenlijk moet ik ook echt nooit iets reserveren, ik krijg er altijd de zenuwen van. En eigenlijk altijd onnodig ook.

We slaan linksaf, een witte weg in. Het is een smalle, kaarsrechte weg, door wat ik me altijd bij La Mancha (daar rijden we nu) heb voorgesteld: eindeloze vlakten met graan.
We kunnen hier makkelijk honderdveertig rijden: de weg is helemaal leeg. Het schiet dus echt heel erg lekker op.

Via La Roda scheuren we zo, over kaarsrechte wegen in de vlakte (alleen bij plaatsjes rij je opeens omlaag en daarna weer omhoog: het blijft een hoogvlakte), naar Motilla, waar we weer op een rode weg uitkomen, die naar Cuenca gaat.

Hier komen we weer door bos, en wordt het bergachtiger, met de bijbehorende bochten. Ik rij weer voorop, tot Cuenca, om van de R3B te genieten.

 

De zon gaat onder. Op een gegeven moment kijk ik er recht in: een hele grote rode bal.

 

Dan hoor ik Ernst toeteren: de toeter van de RoadRunner doet het nog steeds niet. Hij had een foto willen maken van mij tegen de ondergaande zon, maar inmiddels heeft de weg een bocht gemaakt. Ik beloof te stoppen als ik de zon weer recht in mijn ogen kijk, maar de weg kijkt steeds een beetje teveel naar rechts of naar links. En de zon zakt snel...

 

Tenslotte vinden we een plek waar het er een beetje op lijkt, maar de zon is alweer bijna onder, en de foto valt in het niet bij wat het had kunnen worden...

Maar, we zijn op tijd in Cuenca .

Het lijkt een hopeloos stadje van niks, tot we het oude centrum zien, bovenop een rots. Daarnaast een kloof, en op een rots aan de overkant, met een metalen brug bereikbaar (of gewoon over de weg aan de andere kant van de rots, zoals wij doen) ligt het parador: een oud klooster.

Witte muren, grote houten deuren en luiken, tegels op de vloer, rond een binnenplaats gebouwd, en uit sommige ramen op de gangen uitzicht op de rots met de oude stad. De daken met de bekende halfronde dakpannen; de ramen met Moorse halfronde openingen. En daar hebben wij een kamer in!

We mogen zelfs ook nog eten, en worden ondanks onze smerige kleren (ik heb geen schone spijkerbroek meer, en die leren motorbroek ziet er nou ook niet bepaald uit in zo'n chique eetzaal) heel erg vriendelijk en correct bediend.

We krijgen een glaasje Montilla vooraf (dat volgens Ernst sterke drank was, maar volgens mij een variant van sherry. Het komt uit Cordoba, en het smaakt echt superlekker). En het eten ziet er fantastisch uit, en smaakt overheerlijk.

Ik was zo moe dat ik geen enkel idee meer heb wat ik had ;-)

*Red. ben je dat immense tegeltableau van dat symponieorkest zeker ook vergeten, wat een hopeloos geheugen heb jij toch ;-(

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: