Honingkleurig gebouw met twee torens
Het nieuwe Monasterio de San Juan de la Peña

Hospital de Benasque - San Juan de la Peña

Niet lang nadat we uit het Hospital de Benasque zijn vertrokken begint het te regen. Hard te regenen.

We sukkelen door, en vinden in Ainsa een plek om wat te eten en te schuilen.

Daarna is het droog, en als de N260 echt mooi begint te worden is zelf de weg droog.

Via Jaca rijden we over een smal weggetje, via de Oroel, naar het Monasterio de San Juan de la Peña, waar we overnachten.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

donderdag 2-9-2010

's Nachts horen we het al: regen, en niet zo'n beetje ook.

Als we naar buiten kijken, zien we de koeien over de parkeerplaats lopen. Blijkbaar kun je niet alleen aan laag vliegende zwaluwen zien dat het slecht weer wordt: de koeien waren gisteravond al beneden, dus het lijkt er op dat ook zij van te voren weten dat het zal gaan regenen.

Bij het ontbijt zien we het weerbericht: vandaag nog regen en bewolking in ons gebied: morgen is dat naar het oosten weggetrokken, en de dag daarna ziet heel Spanje er weer zonnig uit.

 

Hier is het droog, en het lijkt zelfs iets lichter te worden.

We doen extra lang over het inpakken in de hoop dat het dan meer is opgeklaard. Helaas is dat niet bepaald het geval.

Het is droog als we vertrekken, maar daar is alles mee gezegd.

 

Met alleen regenjassen aan (mijn regenbroek is volkomen lek en Ernst blijft behoorlijk droog achter z'n tank) vertrekken we.

We kijken nog één keer achterom. Wat is dit een absurd mooie plek, het Hospital de Benasque!

 

Het gaat druppelen.

Het is wel absurd mooi nu, met mistflarden tussen de bergen, en extra hard kletterende watervallen. De borden met waarschuwingen voor overstromingen op de weg staan er vandaag niet voor niets.

Ik probeer er zoveel mogelijk van te genieten, maar ik heb het niet zo op dat natte wegdek...

 

Elk tunneltje betekent dat er even geen druppels zijn, en ook dat de weg iets droger is.

 

In Benasque tanken we.

De mevrouw van het benzinestation begint tegen Ernst in het Duits te praten. Wanneer hij vertelt dat hij Nederlander is zegt ze dat ze ook Nederlands spreekt. Ze kent "ik hou van jou" en "godverdomme" ;-)

 

Als we, voorbij Castejon de Sos, op de N260 zitten, rijden we door de Congosto Ventamillo, een nauwe gorges-achtige doorgang. Erg indrukwekkend, de hoog oprijzende rotsen met een wild stromende rivier beneden (met erg bruin water, door alle modder die de regen heeft meegenomen).

Helaas stoten we na niet al te lange tijd op een treintje achter een vrachtwagen. Er valt niet te denken aan inhalen hier: het is één en al bocht, vrijwel steeds blind, en bovendien is het zicht door de regen sowieso erg slecht.

Bij tegenliggende vrachtwagens moet er moeizaam gemanouvreerd worden om ze langs elkaar te laten rijden. We vorderen daardoor heel erg langzaam.

Wanneer we na de Congosto weer een benzinepomp spotten stoppen we weer: Ernst trekt hier z'n regenbroek aan; z'n leren broek is helaas doornat geworden. Door het langzame rijden stroomde al het water van z'n jas naar z'n broek.

Ook mijn leren broek is doorweekt, maar mijn regenbroek zou niks oplossen (ik weiger uiteraard Ernst z'n aanbod om zijn regenbroek aan te trekken).

 

De N260 gaat de Coll de Foradada op. Als het niet zou regenen zou dit een hele mooie weg zijn, maar nu vind ik het erg moeizaam: er kunnen koeien over de weg lopen, het kan daardoor ook (koeienvlaaien) glad zijn, er zijn reparatiestrepen en het asfalt is hier en daar totaal glad gesleten.

We hebben afgesproken tot Ainsa te rijden, en daar eventueel een hotelletje te zoeken.

Na de col wordt de weg minder bochtig. De snelheid wordt hoger, wat weer betekent dat we met onze hand voor het gezicht moeten rijden vanwege de snijdende regendruppels (we rijden met crosshelmen). Maar in de verte lijkt het lichter te worden.

Ainsa. We stoppen bij een restaurant op de hoek bij de rivier, vlak voor het eigenlijke stadje, met uitzicht op het oude binnenstadje, dat op een heuvel is gebouwd.

Er is een terras, overdekt met zonneschermen die de regen ook prima tegenhouden. We kunnen daardoor onze natte spullen op de vensterbank te drogen leggen, en gaan zitten zonder de hele vloer binnen nat te maken.

Eerst een kop koffie om op te waremn, en dan blijkt dat we buiten kunnen eten.

Het eten valt vooral voor mij tegen: de geroosterde pimientos zien er heerlijk uit maar zijn gevuld met vis (en overdekt met kaas zodat ook Ernst ze niet lust). We eten daarom samen van de meloen met ham van Ernst.

 

De solomillo de cerdo staat me zo tegen dat ik hem niet door m'n keel kan krijgen. Ernst eet er een stuk van, meldt dat hij inderdaad vreemd smaakt, en eet z'n pinchos de Moruño op, die prima smaken. Ik eet de patat, en brood.

We eten met de jassen aan, maar krijgen het toch langzamerhand wat warmer.

En ook de motoren staan lekker droog.

 

Toe krijgen we een enorme chocoladetaart die ik helemaal op eet: ik krijg echt wel genoeg binnen!

Na twee koffie vertrekken we. Het was intussen helemaal droog geworden, maar vlak voor we weggaan is het weer hard gaan regenen.

 

En dit was het, ons restaurantje: Restaurante Alberto. Ik had pech met het eten, maar dat was echt pech. De eigenaresse is bijzonder vriendelijk, en als je van vis houdt kun je er prima eten.

 

Het eerste stuk van de N260 na Aina is vrij saai. Deze tunnel kondigt de Garganta aan. Het weer is donker, maar droog.

 

Na de tunnel zijn er weer bochten. De weg is nog niet droog, maar het is oneindig veel plezieriger rijden nu we weer zicht hebben.

De flarden mist in de dalen zijn prachtig.

 

Dan krijg je zicht op vreemd gevormde rotsen, met schuine, ver uitstekend ribben.

 

Even later rijden we door de Garganta, die aan weerszijden die schuine ribben laat zien.

Erg mooi rijden, en we zijn bijzonder blij dat we er iets van kunnen zien!

 

Ook na de Garganta zijn de uitzichten geweldig, mede te danken aan de wolkenflarden.

Je ziet hier de Rio Ara, die de Garganta in de loop der tijd gekerft heeft.

 

Het is heel erg mooi hier! Dit is de zuidgrens van het nationale park van Ordesa.

En nog mooier is dat zelfs de weg langzamerhand begint op te drogen.

 

Voorbij Broto is de weg helemaal droog.

Dat komt erg mooi uit, want hier wordt de N260 weer heel mooi bochtig. Inhalen dus, die auto, voor hij ons in de bochten tot last is!

 

In Linas de Broto staat vlak naast de weg dit 16de eeuwse kerkje, de Iglesia San Miguel.

 

De N260 is hier geweldig: de ene bocht na de andere, en de meeste zijn al van ver te overzien.

De regen ben je dan zo weer vergeten.

 

Af en toe rij je door een tunneltje, maar het zijn nooit lange stukken. Dit is de N260 weer op z'n best.

 

De N260 is hier 500 kilometer lang. Het beginpunt is in Figueres, in het oosten.

 

De N260 is helaas op allerlei plaatsen "verbeterd", wat betekend: verbreed, betunneld, en ontdaan van bochten.

Dit stuk, tussen Broto en Biescas, is een voorbeeld van hoe hij vroeger overal was. Een heerlijke motorscheurweg.

Ik hoop dat ze dit stuk intact laten!

 

We waren oorspronkelijk van plan om vanuit Biescas rechtsaf te slaan, naar het noorden, naar Panticosa, via de Garganta del Esalar. Maar het weer blijft er zo dreigend uitzien, vooral in het noorden, dat we hier besluiten dat we Panticosa overslaan, en naar het zuiden rijden. Met dit soort dreigend en bewolkt weer zouden we toch niet goed de hoge Pyreneeën kunnen bewonderen.

We volgen de N260 dus naar het zuiden. Hij is hier breed en saai.

Hier rijden we langs Senegüé.

 

Je komt uiteindelijk op een T-splitsing, waar je linksaf naar Sabiñanigo kunt, of rechtsaf, via de A23, naar Jaca.

Wij slaan rechtsaf. De A23 is lang en recht.

 

We rijden hier langs het Pabellon de Hielo van Jaca, een futuristisch ogende overdekte ijsbaan.

 

In Jaca mis ik het bordje dat het Monasterio de San Juan de la Peña via de lange route aangeeft (er is ook een korte route, maar die is minder mooi).

Terug, en dan alsnog dat weggetje in.

Nog voor je Jaca uit bent zie je al de berg Oroel liggen.

 

Jaca neemt niet op een echt spectaculaire manier afscheid...

 

En dan rijden we op de A1205, een bijzonder aangenaam smal weggetje.

Van het begin af aan heb je zicht op die Peña Oroel, die eenzaam erg hoog ligt te wezen. We zien er direct al Vale Gieren vliegen.

 

Dit bordje verwijst niet, zoals ik dacht, naar een van de Paradores de turismo, een luxe hotelketen in vaak spectaculaire monumenten, maar naar een restaurant Parador de Oroel van een eigenaar die slim gebruik maakt van de blijkbaar onbeschermde naam Parador.

Er is daar ook een mooi uitzichtspunt op de Oroel; dat zullen we een keer bekijken als het niet bewolkt is.

 

We houden even pauze, maar helaas kan de regenkleding nog steeds niet uit.

Het is droog, maar dreigend, en beslist niet warm.

 

Het is een erg mooi SuperTenere-weggetje, vol gaten en heel smal en bochtig. Maar Ernst is misselijk (mijn solemillo de cerdo was dus vast niet goed): zo ongeveer de enige keer in z'n leven dat hij niet blij met bochtjes is.

Het is hier compleet verlaten. Dit huis maakt dan ook niet de indruk dat het onlangs bewoond was.

 

Langzamerhand zijn we vlak in de buurt van de Oroel gekomen. Doordat hij zo enorm hoog boven alles uitsteekt zie je hem al van heel ver liggen.

 

Het weggetje blijft heerlijk rijden (als je niet misselijk bent).

 

En dan is er het bord dat het Monasterio de San Juan de la Peña aankondigt: ons eindpunt voor vandaag komt in zicht.

 

Bij Bernues rechtsaf, en dan rij je over prachtig asfalt, over een heel smal weggetje. Om elke bocht hoop ik het klooster te kunnen zien liggen, maar steeds is er weer een volgende bocht.

Je rijdt hier langs rotsen in alle kleuren van de regenboog.

 

Samen met de donkere luchten die nog steeds boven ons hangen geeft dat een bijzondere ervaring.

 

Tenslotte duikt het Monasterio heel plotseling, na een recht sukje door een bos, voor ons op. Het Monasterio Nuevo: het nieuwe klooster (uit de 17de eeuw, uit mooie honingkleurige steen).

Er staat een touringcar en er lopen mensen.

Het is even zoeken, en dan blijkt dat de ingang van de hospederia aan de achterkant zit.

 

Er blijkt een kamer te zijn, maar het duurt meer dan een uur voor we de sleutel krijgen, omdat de jongen van de receptie voortdurend telefoontjes moest beantwoorden van mensen die wilden reserveren (soms voor maanden vooruit).

Als we tenslotte de sleutel hebben gekregen, en de spullen naar boven hebben gesjouwd, blijkt het een fantastische kamer: heel ruim, met mooie badkamer, heel luxe allemaal.

Als ik de spullen uit de koffers haal die we vannacht nodig hebben, vraag ik of we een nachtje extra kunnen blijven.

Er is inmiddels iemand bijgekomen in de receptie: de jongen hoeft gelukkig niet de hele dag alles in z'n eentje te doen. Een tweede nacht is mogelijk, maar dan moeten we nu naar een andere kamer verhuizen. No problemo!

Ernst kan, als we alles heen en weer hebben gesleept, bijkomen van z'n misselijkheid op het bed. Ik maak een wandelingetje door de omgeving. Er blijken allerlei wandelingen uitgezet te zijn hier, met informatiebordjes over vogels, bomen en geschiedenis.

Morgen hebben we nu uitgebreid de tijd om het oude klooster te gaan bekijken, dat uit de tiende eeuw stamt en in een rots is gebouwd. De rest van de dag vermaken we ons dan wel met wandelen: daar is het hier een prima omgeving voor.

 

We eten bijna alleen (niet helemaal), en worden daarbij meer dan perfect bediend.

Het eten is bovendien heel erg goed. Wat een beloning na de regen in de Pyreneeën!

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: