Bakstenen toren
De Giralda by night

Delft - Sevilla

Als je in maart nog geen week de tijd hebt en je wilt graag Sevilla bekijken is er maar één keus: het vliegtuig.

We zijn dan ook in een paar uur in Sevilla, terwijl we daar op de motor een aantal dagen over zouden doen. Reizen op de motor bevalt me veel beter, maar het was wel erg leuk om Sevilla zo te kunnen bekijken.

Op deze eerste dag zien we al het een en ander van de stad, met name ook het prachtige Casa de Pilatos.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

Dinsdag 11-3-2003

We staan vandaag al om 5 uur op: een vliegvakantie kent, in tegenstelling tot een motorvakantie, harde deadlines. Dat is precies de reden dat ik er zo'n hekel aan heb, maar in dit geval hadden we gewoon weinig tijd en wilden we toch graag even van Sevilla genieten.

Paultje brengt ons in zijn Chevy naar Schiphol, waar we veel te vroeg aankomen. Ernst heeft iets van die overvloed aan tijd nodig, dankzij het feit dat hij dacht dat zakmessen al lang weer mee mochten aan boord. Het mes mag wel in het ruim mee, maar dan in een rugzak: eén van onze handbagage-rugzakken moet nu toch worden ingechecked.

Terwijl ik sta te wachten is er iemand die een Leatherman en een Victorinox bij zich heeft: Ernst is dus niet de enige. Maar die man heeft geen tassen bij zich die in het ruim mee kunnen: "Gooi maar weg. Zonde, want ik ben er erg aan gehecht, maar gooi maar weg." De mensen van de beveiliging voelen zich erg ongemakkelijk, maar er zit niks anders op. Luid mopperend loopt de man verder.

Nu is het wachten wachten wachten, en dat houdt niet op wanneer we in het vliegtuig zitten: 1 uur vertraging. Als we vertrekken zitten we al snel boven de wolken: niets te zien.

Pas veel later trekt de bewolking weg, en dan zie ik een lappendeken van akkertjes, weilanden en bos, met hier en daar enorm grote cirkels: akkers in de vorm van zo'n ronddraaiend irrigatiesysteem. Dan een witte rechte streep: de kust bij Bordeaux in de buurt alweer!

Even later zien we prachtig Biarritz liggen, dan ontstaan en bergen, en wijkt de kust naar rechts, met San Sebastian in de bocht.

Eenmaal boven de Pyreneeën zien we zelfs nog hier en daar streepjes sneeuw. De Pyreneeën zien er donker uit, en je ziet heel mooi puntige kammetjes lopen, alsof er een Stegosaurus ligt te slapen.

Heel in de verte doemt een enorm wit massief op uit het niets: de Picos.

 

Wanneer de Pyreneeën verdwenen zijn, is de aarde rood. Hier is het geen lappendekenmeer, maar meer een soort olievlek van oranje, rood en geel: Spanje!

Af en toe vervagen de kleuren. Dan ligt er een groen waas overheen, van druiven die groene blaadjes beginnen te krijgen.

Hier en daar ook stipjes in regelmatige rasters: olijfbomen.

Nog meer sneeuw van de Sierra de Grazalema, en dan zijn we in Madrid.

 

Je wordt daar met een bus naar de vertrekhal vervoerd (wij hebben uiteraard de verkeerde bus gekozen, die als laatste vertrekt, en die een buschauffeur heeft die extreem beleefd is door te stoppen en wachten als er helemaal in de verte een sloom bagagetreintje van rechts komt), en daarna rennen we (moet van mij) naar onze gate, en verdomd, het vliegtuig naar Sevilla staat er nog, en het aan boord gaan begint net!

Tussen Madrid (15 graden) en Sevilla zie je heel mooi de meseta liggen, de Spaanse hoogvlakte, helemaal vlak, met hier en daar naar beneden tuimelende plekken waar je een rivier doorheen ziet kronkelen.

Af en toe een is er een canyon, en af en toe omhoog geplooid gebergte.

In Sevilla is het 25 graden...

 

De taxichauffeur zet ons overduidelijk af, maar ja, hij heeft onderweg nog wel even Casa Pilatos aangewezen, en een disco waar we volgens hem moeten zijn.

Hij stopt bij de Plaza del Salvador, een pleintje met sinaasappelbomen (inclusief oranje sinaasappelen) (en zoals je ziet een palmbomom), en zegt dat je daar 's nachts gezellig bier kunt drinken.

***Red En reed lekker 160 zodat het een beetje opschoot. Opvallend hoezeer de weg naar Sevilla me deed denken aan Florida, met die eindloze businessen langs een 8 baans semisnelweg met stoplichten...***

Het hotel ligt 20 meter verder, in een steeg die te smal is voor auto's.

Het heeft een minder mooie binnenplaats dan de foto's deden vermoeden, maar we hebben een heerlijke kamer met tweepersoonsbed.

We logeren in Las Casas de los Mercaderes, aan de Calle Alvarez Quintero die uitkomt op het plein met de katedraal (waar ook de Giralda staat).

 

We leggen onze spullen neer op de kamer, en lopen meteen naar buiten.

Het straatje van het hotel is even verderop vol terrasjes (op de smalle stoep) van bars en restaurantjes, en als we de straat zijn uitgelopen blijkt dat we al voor de kathedraal staan.

We lopen verder, de Barrio Santa Cruz in, ook bekend als de Juderia, de Jodenwijk, die Moors is, en dus uit smalle kromme steegjes bestaat.

Verkeer is hier ideaal geregeld: auto's mogen gewoon overal, zolang ze tussen de huizen passen. Waar het net aan kan staan vaak paaltjes half in de muren van de huizen, maar evengoed zie je toch af en toe beschadigingen in het pleisterwerk, door de spiegels.

Auto's zonder overal deuken in de zijkanten zijn hier dan ook een zeldzaamheid.

We lopen achter een vorkheftrucje oid aan, die aan het eind van de straat stil blijft staan. Hij maakt een sorry-gebaar: we komen daar met geen mogelijkheid langs.

 

Nou ja, even terug is een bar met wat tafeltjes en stoeltjes buiten.

Daar nemen we een gazpacho, kaas voor mij en ham voor Ernst, en bier, en blijven zitten tot de steeg weer vrij is.

Dit is het goede leven.

 

Hier in de Barrio Santa Cruz zijn vrijwel alleen maar smalle straatjes. Ideaal in de zomer als het heet is: veel schaduw.

De huizen zijn vaak witgekalkt, met gedeelten in oker of donkerrood geschilderd.

De bovenberdiepngen hebben smalle balkons, voor elk raam, met smeedijzeren hekken. De houten deuren daarachter zijn meestal open, zodat je op straat een geroezemoes van gesprekken hoort.

Beneden achter de voordeur is vaak ook een smeedijzeren hek. Meestal staat de voordeur open, zodat je zicht hebt op de tegeltjes van de gang en de patio, vrijwel altijd ruim van planten voorzien.

 

Even later komen we bij een pleintje, aan de Calle Sanra Maria La Blanca (er zijn veel pleintjes hier, vrijwel altijd voorzien van terrassen) met daar tegenover zo'n steegje waar maar net één auto in past.

We zien daar een Portugees, helemaal zenuwachtig achter het stuur: hij durft de krappe draai niet te nemen.

Wij lopen voor hem uit de steeg in. Het is een doodlopende steeg, met alle huizen rechts gebruikt voor het hotel Las Casas de la Juderia, met prachtige binnenplaatsen en veel planten.

De Portugees komt aanschuifelen in zijn auto: hij heeft het toch gedurfd.

Voor de garage moet hij vanuit deze steeg een 90 graden draai maken die ook mij volslagen onmogelijk lijkt.

De portier van het hotel stelt de Portugezen gerust, terwijl ze zichzelf aan één kant uit de auto wurmen: "No problem, no problem", hij zal de auto wel voor hen de garage inrijden.

Aan de verhitte hoofden te zien zijn het trouwens Engelsen, die een auto hebben gehuurd in Portugal. Ik vermoed dat die Engelsen hun auto niet meer zullen gebruiken voor ze hier weer vertrekken.

 

De huizen in het centrum zijn zo'n 3 à 4 verdiepingen hoog.

Hier en daar steekt een huis de steeg over, zoals je hier ziet. En ook hier weer die kleine balkonnetjes met tralies, zodat je de deuren er achter wijd open kunt zetten.

 

We zien onderweg heel veel kerkjes, meestal ook witgekalkt, met rood of oker. Ze hebben altijd een open klokketoren, vaak geglazuurde dakpannen, en een mariabeeld buiten. Kerken voor mensen.

Hier zie je de toren van de Iglesia de San Bartolomé.

Misschien zijn er in deze wijk wel meer kerkjes dan bars, en dat wil wat zeggen. Allemaal zijn ze gewijd aan een eigen Maria. Elke Maria (het beeld in de kerk dus) krijgt een naam: Macarena, Maria Blanca enzovoort. Minder vaak is zo'n kerk gewijd aan een eigen Jezusbeeld.

 

Hier een situatie die je vaak tegenkomt: de voordeur staat open, en je kijkt een halletje binnen dat prachtig betegeld is.

Dan is er een opening die is afgescheiden door een smeedijzeren jek, en daar achter is de patio, die meestal ook weer mooi betegeld is, en waar je planten ziet, en in dit geval ook zuiltjes voor een galerij die schaduw biedt. Dat lijkt me erg mooi wonen!

 

En overal is er de zoetgeurende bloesem van sinaasappelbomen.

Sinaasappelbomen hebben de eigenaardigheid dat er tegelijkertijd met de bloesem rijpe sinaasappels in hangen. Fraai.

Achter de sinaasappelboom zie je zo'n witgekalkt huis met onderdelen in oker en donkerrood geschilderd: de kleuren van Sevilla.

 

Dan komen we uit mij mijn doel, het Casa de Pilatos, gebouwd in 1509 door een rijke edelman nadat hij terugkwam van een pelgrimstocht naar Jeruzalem. Het is nogal mysterieus hoe het huis aan zijn naam is gekomen: er zijn verklaringen geweest dat het een kopie van het huis van Pontus Pilatus zou zijn, maar dat is niet het geval.

Het gebouw is een combinatie van op de klassieke oudheid gebaseerde renaissance, gotiek en mudejar (Moorse bouwmeesters die de Moorse ambachten nog onder de knie hadden en in Moorse stijl bouwden in opdracht van Christenen).

De portier vraagt waar we vandaan komen, waarbij belangrijk schijnt te zijn of we uit de EU komen. Een vreemd soort prijsdifferentiatie of zo. We moeten zelfs onze paspoorten laten zien.

Als we een beetje verbouwereerd zeggen dat we die niet bij ons hebben, en uit Nederland komen, en als Ernst z'n rijbewijs tevoorschijn wil halen, zegt hij dat alles in orde is en dat we er gratis in mogen, tot 5 uur, wat betekent dat we meer dan een uur hebben.

Dit soort gesprekken gaat trouwens nu prima in het Spaans: ik een beetje hakkelend, maar het lukt allemaal.

We wandelen een binnenplaats op, en kijken tegen een bakstenen muur aan die vrijwel volledig begroeid is met paarsbloeiende bougainvillea, met in het midden een ronde poort die omgeven is door een brede rand die wel van kant lijkt: filigrijn van gips (denk ik).

Wanneer je onder de poort door loopt kom je op een tweede binnenplaats, met een (mooi) Grieks beeld van Athene en een aantal Romeinse beelden, een galerij rondom, gesteund door zuilen, en de muur tot op zo'n 2 meter hoogte bedekt met tegels.

Tegels in geometrische motieven, in kleuren die je in Spanje nog steeds overal gebruikt ziet worden (onder andere in de patio's in de Sevillaanse huizen), maar nergens zijn ze zo mooi en divers als hier. De kleuren zijn wit, groen, blauw en oker.

De tegels zijn gebruikt om rechthoeken mee te maken, met een eindje van de rand een randje van smalle effen tegels. Dat randje volgt netjes de hoeken die nodig zijn voor deuren of ramen.

Elke rechthoek bestaat weer uit andere tegels (azulejos). Elke opening, deur of raam, is voorzien van filigrijn.

Ik ben compleet overdonderd, en speciaal daarvoor staan er langs de muur betegelde bankjes, betegeld met dezelfde tegels als de muur.Ik zit op en tegen die tegels!

In een hoek op een trap, zijn mensen bezig het gips te restaureren. Ze willen graag op de foto bij Ernst.

 

Links kun je een trap op, en als je naar boven kijkt terwijl je die opklimt zie je een houten plafond dat barok versierd is: er lijken wel kleine kathedraaltjes naar beneden te groeien.

Ook zijn de muren bekleed met tegels.

Na de eerste draai zijn er ramen, met betegelde vensterbanken waar je op kunt zitten om naar de tuin te kijken: vakken met sinaasappel- en andere bomen, en een prieel in het midden.

Tegenover ons, in de andere muur, verraadt zich door de vaal geworden kleuren een houten deur, beschilderd om net te doen alsof hij ook betegeld is.

Halverwege de trap een soort portaal met over de hele breedte een houten bank tegen de muur van waaraf je omhoog kunt kijken naar de plafonds. Elk stuk plafond is verschillend, maar allemaal zijn ze van houtsnijwerk, en vaak ook nog beschilderd.

Boven houdt een hek je weg van de galerij daarachter. Hier boven kun je niet altijd alles zien: soms heeft de familie van wie het huis is deze bovenverdieping nodig, en dat is vandaag het geval.

Dit was een van de eerste huizen in Sevilla met een bewoonbare bovenverdieping, Dit huis uit 1509 heeft een trend gezet: beneden werd in de zomer gewoond, terwijl de bovenverdieping voor de winter was. Dat werd in steeds meer huizehn toegepast.

Nu is het anders geregeld: de benedenverdieping is open voor het publiek, terwijl de eigenaars van dit huis (de hertog de Medinacelli) nog boven woont, met z'n familie, althans, soms. Er zijn rondleidingen, onder leiding van een gids, waardoor je toch ook een stukje van de bovenverdieping te zien kunt krijgen.

De adel is nog springlevend in Spanje, en vaak erg rijk: ze zijn nog steeds grootgrondbezitters (zo bestaat er nog steeds een hertog van Alva...).

 

Midden in het huis is de Patio Principal, met galerijen rondom. Hier zie je hem vanaf de bovenverdieping; tussen de stenen balustrade door kun je nog net een aantal bogen van de benedenverdieping zien.

De Patio Prinmcipal is helemaal Renaissance van opzet, maar je ziet dat dat practhig is gecombineerd met Moorse onderdelen. Je ziet zuiltjes die op de Romeinen zijn geïnspireerd, met Moorse bogen en Moorse versieringen.

 

Beneden bekijken we de ruimte achter de poorten van de patio.

Er is een ruimte met versierd plafond, betegelde wanden en vloeren, en een raam op de tuin. Even verderop vinden we een vierkanten kamer (de plafonds zijn overal bewerkt, de wanden en vloeren overal van tegels voorzien) met een fonteintje in het midden, en van daaruit kom je in een kamer met een enorm schilderij aan de muur.

Het is een heel vreemd schilderij: De vrouw met de baard, La Mujer Barbuda, van José de Ribera. Een vrouw (Magdalena Ventura) met baard, die een baby aan haar borst heeft.

De hertog van Alcala, die hier destijds woonde, was een groot verzamelaar van "wetenschappelijke monstruositeiten", zoals zo veel mensen in die tijd: siamese tweelingen op sterk water, een stier met drie hoorns, en dit schilderij van een Italiaanse vrouw die aan (zeer) overmatige haargroei leed.

 

Vanuit de fonteinkamer kun je de tuin inlopen, die aan vier kanten omsloten is.

Aan beide zijkanten is een portaal met zuilen (en dus schaduw).

De vloer is op de paden en open ruimte van tegels voorzien. Erh mooie tegels, rood geglazuurd (vrijwel helemaal er af gesleten), met kleine, kleurig-geglazuurde tegeltjes op de hoekpunten.

Stel je eens voor dat je zo'n vloer in de keuken zou hebben, of in je tuin!

 

In de tuin is ook een heel mooi simpel vogelbadje: een betegeld stukje in de vloer dat iets naar het midden afloopt, daarin een pijpje waar water uitloopt, en een pijpje voor de afvoer, net iets onder het niveau van de vloer er omheen.

 

Aan de achterkant van de tuin is een portaal met beelden, en in een hoek een soort kunstmatig gemaakte grot met een hek ervoor, water op de bodem (vol met muntjes), een vreemde vis als beeldje boven het water uitstekend, en een wulps godinnetje liggend in de achtermuur.

 

We dwalen verder door de ruimten rond de patio.

Vanuit een zaal kijk je een kapel in, met veel goud, en in het midden een houten Jezusbeeld. Heel realistisch gekleurd, en voorzien van echt haar. Het Spaanse katholicisme is iets wat niets te maken heeft met de sobere kale kerken van Nederland.

De kamers rond de patio zijn steeds weet voorzien van prachtig bewerkte plafonds, tegels, en filigrijn.

Er zijn veel openingen naar de patio toe, zodat er steeds mooie doorkijkjes zijn.

 

Aan de overkant van de tuinkamers, zijn kamers van waaruit je in een tweede tuin komt. Deze is groter, van trappen voorzien, en zo gebouwd dat je van geen enkele plek de gehele tuin kunt overzien.

Er is een rechthoekige vijver met aan de rand een bronzen beeld van een ondeugend jongetje die zijn handen van achteren voor de ogen en de mond van een waterspuwend mannenhoofd houdt. Ontroerend detail: de grote teen van de linker gesandaalde voet, die omhoog steekt.

 

Hier de rechthoekige vijver in zijn geheel.

Aan een groep Spaanse dames die alle planten bevoelen en af en toe stiekum een stekje meenemen, kun je zien dat hier bijzondere planten groeien.

Het is vijf uur, tijd om te vertrekken. Wat een ongelofelijk mooi huis is Casa de Pilatos!

 

We lopen naar buiten, in de richting van Centro, oftewel het eigenlijke centrum van Sevilla.

Je ziet hier dat je in Sevilla nooit hoeft te zoeken naar een kerk: vrijwel overal zie je tussen de huizen wel ergens een kerktoren.

In dit geval zien we een kerktoren van de Iglesia de San Ildefonso.

 

Onderweg ruiken we weer overal die heerlijke geur van sinaasappelbloesem.

Alles hier staat in het teken van de Semana Santa en de Feria de Abril: overal zijn Sevillana jurken te koop, of stoffen daarvoor, en schoenen, en beeldjes van de Semana Santa optocht (met die figuren met KuKlux Clan achtige puntmutsen), en waaiers, en glinsterende opsmuk.

Fourniturenwinkels, breiwol , voor jongetjes matrozenpakjes en kapitienskostuumpjes, beeldjes en lampjes die ze zelfs in de Jordaan overdreven zouden vinden, het is niet te geloven wat hier allemaal handel is.

Het systeem is hier nog steeds: een straat vol stoffenwinkels, een straat met schoenenwinkels, enzovoort. Ideaal, vind ik eigenlijk.

 

Dan is daar om de hoek opeens het Plaza de San Salvador, het plein met de sinaasappelbomen vlakbij ons hotel, en we gaan op de trappen zitten van de kerk (de Iglesia del Salvador dus). De trappen zijn bezaaid met blikjes en flessen en zwervers: daar passen we wel tussen, om van onze fles water te drinken.

Er komt meteen een jongen naast Ernst zitten. Waar we vandaan komen? Ah, Amsterdam? Nou, ook goed. Dit plein is het Amsterdam van Sevilla, legt hij uit. Mensen van de hele wereld vind je hier, en die kunnen hier marihuana krijgen. Dat willen we zeker wel?

Iets anders dan? Hij is echt van alle markten thuis: we moeten maar zeggen wat we gebruiken, en hij heeft het. Tot er een agent aankomt. "No problemo", verzekert hij ons, maar hij moet helaas verder.

 

Wij zijn moe, voelen we opeens, absurd moe. We lopen naar ons hotel, klimmen naar boven, en vallen om 6 uur uitgeput op het bed, waar we meteen in slaap vallen.

Tweeëneenhalf uur later worden we pas wakker. Langzaam opstaan, en iets te eten zoeken. Ideaal, dat ritme van Spanje.

Als je vanaf het hotel naar de kathedraal loopt, door de Calle Alvarez Quintero, kom je langs een grote hoeveelheid terrasjes, hadden we vanmiddag al ontdekt. We zijn gewoon te moe om een keuze te maken, en lopen nog een stukje de Calle Mateos Gago in, die vanaf het plein voor de kathedraal Santa Cruz inloopt.

Daar zou een bar zitten die in oude Moorse baden gevestigd is, zegt mijn boekje, maar tijdens de zoektocht ben ik de naam van de bar alweer vergeten

Dit is op de hoek van Calle Sierpes en Calle Jovellanos: een tegeltableau ter herinnering aan de stand (peña) die Casa Calvilla, een bar, had tijdens de Feria de abril van 1934. Die stand was een kopie van het gebouw van de bar, en is nu vereeuwigd in de vorm van een tegeltableau.

 

Voor iemand als ik die van tegels houdt is Sevilla een feest: alles is hier betegeld, en voorzien van kleine of grote tegeltableaus.

 

Op de tegel staat:

El Principe de los Ingenios Españoles, Miguel de Cervantes Saavedra menciona esta plaza, llamada un tiempo de San Francisco, en las novelas ejemplares. Rinconete y Cortadillo y Coloquio de Cipion y Berganza

Het plein waar dit tegeltableau is te vinden, wordt genoemd in twee verhalen van Cervantes (waar het plein San Francisco wordt genoemd): in Rinconte y Cortadillo, en in de fabel over de twee honden, het Coloquio de Cipion y Berganza.

De tegel staat langs de Ruta Cervantina die je in Sevilla kunt lopen (waarlangs je meer tegels zult tegenkomen van plekken die in z'n boeken worden genoemd), in de Cuesta del Rosario waar een plentje is dat Plaza de la Costanilla heet.

 

Tenslotte lopen we toch maar naar de ons langzamerhand vertrouwde bars en restaurantjes in "onze" straat terug, waar we tamelijk willekeurig neerstrijken op een terrasje.

Het eten is verrukkelijk (solomillo de cerdo al manzanilla, oftewel varkenshaas in sherry), de wijn is verrukkelijk, het leven is verrukkelijk.

We hebben vanaf het terras een grandioos uitzicht op de Giralda (de toren bij de kathedraal, die voor het grootste gedeelte nog hetzelfde is als de minaret van de moskee die ooit op de plaats van de kathedraal stond; alleen de bovenkant is veranderd).

Rondom de verlichte Giralda vliegen Kleine Torenvalken rond, die, doordat ze licht zijn aan de onderkant, zelf ook heel mooi verlicht worden. Waarschijnlijk levert die verlichting extra veel makkelijk grijpbare insecten op.

 

Na verloop van tijd ontdekken we dat zo'n beetje alle bars en restaurantjes aan beide zijden van de straat hier bij elkaar horen. De obers lopen heen en weer.

De keuken is hier, de drank staat daar, en de tapas zijn weer ergens anders, zoiets lijkt het.

Tegenover ons zijn twee bars. Voor de ene staat een ober aan één stuk door te kletsen tegen zijn twee gasten, die voortdurend moeten lachen. Soms loopt hij even naar één van de andere bars om met een andere ober te kletsen. Hij is nooit langer dan 10 sconden stil.

De andere bar wordt bemand door een type Manuel from Barcelona, laten we hem Carlo de Sevilla noemen.

Een dame laat haar vork op de stoep vallen. No problemo voor Carlo: hij raapt hem van de grond op, en legt hem met een galant gebaar weer naast haar bord. De soep die hij brengt, morst hij tijdens het lopen vrijwel volledig van de kom op de schotel daaronder, en zo krijgen de gasten hun soep op tafel.

 

Als de klanten weg zijn, komt de baas van dit alles vanuit een bar aan deze kant van de straat op hem af, met een gezicht als een donderwolk. Hij wordt mee naar achteren genomen (nog net niet aan zijn oor), en wat zich daar afspeelt bevindt zich buiten ons gezichtsveld, maar ik vermoed dat hij minimaal een preek krijgt over dienstverlening in de horeca en klantvriendelijkheid in het algemeen.

Daarna zien we hem met een verongelijkt gezicht op minutieuze wijze volkomen willekeurig objecten poetsen: het glazen rek waar de flessen in staan, de flessen zelf, en vooral ook de ruimte om het sleutelgat van de deur.

En je ziet hem denken, tijdens het poetsen van dat sleutelgat: "Hier staat de hardst werkende ober van Spanje, maar denk je dat z'n baas dankbaar is? Nee, ze zien niet hoe hard hij werkt, hij is de meest miskende ober van de wereld, Carlo de Sevilla. Maar ooit zullen ze spijt krijgen, ooit, als hij al lang in het Alfonso XIII werkt, zullen ze op hun knieën bij hem komen om hem te smeken weer terug te komen. Lo siento, sorry, zal hij dan beleefd zeggen."

Vandaar dat die anderen af en toe bij hem een fles komen halen: Carlo heeft de best gepoetste flessen van Spanje.

Je ziet hier ook mooi hoe het verkeer zichzelf regelt. De straat kan net één auto bevatten, maar is gewoon tweerichtingverkeer. Draait er iemand de straat in en er is net een tegenligger, dan draait hij gewoon weer even terug.

Soms wordt iemand die eigenlijk achteruit zou moeten kwaad. No problemo, dan rijdt de ander gewoon de hele straat achteruit: hier hebben mensen er begrip voor dat iedereen het af en toe op zijn of haar heupen krijgt, en werken ze gewokin mee om de situatie plezierig te laten verlopen.

 

Daar tussendoor zien we mensen die al pratend langs komen lopen. Meestal de mannen bij de mannen en de vrouwen bij de vrouwen.

Vaak moet er even gestopt worden omdat een verhaal alle aandacht nodig heeft van zowel de verhalenverteller als de luisteraars.

Er worden handen op hoofden of op schouders gelegd tijdens het vertellen, en die blijven daar lange tijd liggen: veel langer dan bij ons, want menselijk kontakt brengt mensen hier een stuk dichter bij elkaar dan in Nederland, op z'n minst fysiek.

 

We lopen nog een klein omweggetje, langs de Plaza Nueva, met het Ayuntamiento, het stadhuis van Sevilla, dat erg schilderachtig is in het licht van de straatlantarens.

Het gebouw op de achtergrond is het Edificio Telefonica.

Het duizelt ons een beetje: vanochtend waren wer nog in Nederland...

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: