Wit gebouw met rood en oker
De arena van Sevilla

Sevilla

We zien vandaag veel! Om te beginnen is er het Hospital de la Caridad, met het Oude Testament in Delfts blauw, en een kerk vol goud en Sevilliaanse schilderijen.

Daarna bekijken we de Plaza de Toros, met een rondleiding, en dat blijkt heel veel leuker dan ik me had voorgesteld.

We eten tapas in Triana, aan de Guadalquivir, met uitzicht op de oude stad, en zwerven dan door Triana, waar opvallend veel tegels en andere keramiek worden gemaakt.

We brengen een tijd door in het Parque Marie Luisa en bewonderen daar de Plaza de España, en tenslotte is het tijd voor het avondeten en een zwerftoch door Sevilla by night.

Dit reisverhaal begint met dag 1.

Woensdag 12-3-2003

Ontbijten kun je hier tot 1/2 11, met verse vruchtensappen (als je sinaasappelsap in Spanje hebt gedronken kun je nooit meer terug naar Appelsientje), warm gekruid spek, ham, hartige en zoete broodjes, enzovoort.

Vandaag wordt weer een uitgebreide loopdag. En dan kom je eerst weer door de straat met de stoffen en de jurken.

Ooit laat ik zo'n jurk voor mezelf maken (volgens mij worden die eigenlijk altijd op maat gemaakt)! De winkel waarvan ik de etalage bewonder is Nuevo Montecarlo.

 

In deze straat huizen niet alleen winkels met flamencojurken; je kunt er ook allerhande "articulos relgiosas" kopen, religieuze artikelen.

Dat varieert van rozenkransen tot nonenhabijten, van mariabeeldjes tot zweepjes om jezelf mee te straffen voor begane zonden...

 

En overal kom je langs open voordeuren, met daarachter een opening die door een hek is afgesloten, waar achter je de patio kunt zien.

In dit geval zie je eerst een gang, dan weer een opening met glas-in-lood ramen omlijst, en daar achter zie je potten met planten: de patio.

 

We lopen om de kathedraal heen, waar zo ongeveer elke koetsjesbestuurder (er zijn er honderden in Sevilla, zwarte open koetsjes met geelgeschilderde spaakwielen en daarvoor een paard met belletjes; je ziet er hier eentje staan) ons Olla toeroept, en dan hoopvol vraagt of we een ritje willen maken.

Ze zijn voorzien van speciale nummerbordjes, zie ik. Zo kunnen ze tenminste geflitst worden...

 

Dit is de ingang aan de zuidkant, de Puerta de San Cristobal.

De kathedraal is erg groot; wat grondplan betreft lijkt hij meer op een moskee dan op een katedraal: een heel grote rechthoek. Hij is dan ook gebouwd op het grondplan van de moskee die hier ooit stond.

De zuidkant heeft één ingang, maar de noordkant heeft er vier, de wetsknat drie en de oostkant twee.

Deze puerta is van eind negentiende eeuw (hij is zelfs pas in de twintigste eeuw opgeleverd).

 

Het moet prachtig zijn om de kathedraal vanuit een helikopter te kunnen bekijken: hij is overal versierd.

 

Hier zie je het wonderlijke fenomeen van de sinaasappel: de bloesem hangt tegelijkertijd met de vruchten aan de boom.

Bovendien hangen de vruchten die net zijn begonnen (en klein en groen zijn) samen met sappige, zoete, oranje vruchten aan de boom (op deze foto zijn die helaas niet te zien).

 

We lopen tussen het Alcazar (enorme muren met kantelen, een kasteel zoals een stoer kasteel er uit hoort te zien, later bekijken!) en het Archivo de las Indias.

Dat laatste is een groot, vierkant, streng gebouw, niet spectaculair, tenzij je weet dat daarbinnen alles bewaard wordt wat met de ontdekking en de verovering van Amerika te maken heeft, tot en met het dagboek van Columbus himself.

Oorspronkelijk had het een hele andere functie: het was de Lonja, de Beurs van Sevilla. De Patio de Naranjas, die bij de kathedraal hoort, werd door handelaren gebruikt om hun zaken af te handelen, en dat had zulke vormen aangenomen dat de aartsbisschop er een beetje benauwd van werd. Jezus had tenslotte ooit de tollenaren uit de tempel gejaagd.

Hij wilde dat wat minder bruut doen, want die handelaren moest hij te vriend houden omdat de kathedraal nou eenmaal rijke gelovigen nodig heeft voor z'n onderhoud, dus haalde hij het stadsbestuur over om speciaal voor de handelaren een Beurs te bouwen./p>

We steken de Avenida de la Constitucion over, en zien bij een makelaar dat je voor een op te knappen huis in de stad (met patio uiteraard) toch wel minstens 300.000 euro kwijt bent, en voor een opgeknapt huis tot het dubbele.

We zitten nu in El Arenal, onderdeel van de Casco Antiguo (de oude wijk, betekent dat zo ongeveer).

In de Calle Habana staat dit huis, met torentjes. Je ziet de prachtigste gebouwen hier!

 

We lopen onder een op te knappen (gekraakt) oud huis met poort door, een wijkje in met nieuwe, kleine huizen, toch nog in Sevillaanse stijl (oker of donkerrood, veel ijzerwerk): Sevilla is niet alleen voor de rijken.

Sevilla is de stad van de overdrijving, bedenk ik, en als dat woord een negatieve bijklank voor je heeft, en je niet houdt van woorden als enorm, geweldig, fantastisch, ongelofelijk en dergelijke, dan is het niks voor je.

Politiek correcte smaak moet je hier opzij kunnen zetten: door die bril bekeken is alles hier kitsch. De stad van de romantische overdrijving, de stad van het overal iets moois van maken, dat is Sevilla. Ik voel me als een vis in het water.

Overal zien we bodega's of bars die we moeten onthouden voor wanneer we iets te eten zoeken (je moet hier jaren wonen om alles uit te proberen), en tenslotte staan we voor mijn doel, waar we gisteren al langs zijn gelopen, naast het nieuwe theater (wat ik helemaal vergeten ben te beschrijven: een tamelijk mislukt zeventiger jaren gebouw, in marmer. Het had erger gekund, maar het past gewoon niet in Sevilla), het Hospital de la Caridad.

 

Het Hospital de la Caridad is in de zeventiende eeuw gebouwd door een rijke Sevillaan, Don Miguel de Mañara, die zijn leven vol overgave zondigend had doorgebracht (er zijn theorieën dat hij de echte Don Juan was), tot hij, in een delirium waarschijnlijk, zijn eigen begrafenis voor zich zag.

Hij werd erg bang voor Petrus en voor waar die hem naar toe zou sturen, en sloot zich als een haas aan bij de (nog steeds bestaande) Hermandad de la Santa Caridad, de broederschap van de heilige liefdadigheid, en wijdde zich de rest van zijn leven aan die caridad.

In dit Hospital worden tot op de dag van vandaag 100 arme oude mannen verzorgd door de Hermandad, en als ze aan hun einde komen krijgen ze een mooie begrafenis.

Je komt binnen op de patio, uiteraard, een langwerpige open ruimte met een aantal grote tegeltableau's aan de muur, met scenes uit het oude en nieuwe testament.

Ik herken Jonas die wordt uitgespuugd door de walvis, en Abraham die Isaac wil offeren (als ik de namen goed heb).

Het bijzondere van deze tableau's is dat ze in Delfts Blauw zijn gedaan.

 

Hier zie je die patio, met de galerijen waar de Delfts-blauwe tegeltableau's aan de muur te zien zijn (die tegeltableaus komen oorspronkelijk, zo lees ik, uit een klooster in Cadez).

Het is eigenlijk ongelofelijk dat je hier zo naar binnen kunt wandelen, en dat die tegeltableaus hier gewoon in de open lucht hangen.

Onder de overkapping zie je een zeventiende-eeuwse fontein, die uit Genua komt.

 

In één van die tableaus staat - in het Nederlands - "De wet der tien geboden".

De weldoener wist dankzij zijn zondige verleden precies wat en vogue was in die tijd: de armen kregen het beste van het beste.

 

Vanuit de patio komen we in een halletje waar foto's te zien zijn van de schilderijen van Murillo die we hier niet zullen zien, omdat ze in musea staan in Londen, Parijs en Leningrad: ingepikt door Napoleon, en nooit meer teruggekomen.

Vanuit de hal komen we in de kerk die bij het Hospital hoort, en het eerste wat je wel op moet merken is de achterwand (het altaarstuk, of retabel). Van onder tot boven van goud, met gekleurde beelden, van Jezus (hij ligt; is net van het kruis afgehaald, neem ik aan) en mensen daaromheen.

Als je daarna verder kijkt zie je dat het woord "barok" voor deze de kerk bijna een understatement is.

 

In de kerk hangen een aantal schilderijen, waaronder toch nog twee van Murillo: ze zijn niet allemaal weggeroofd. Santa Isabel de Hungría curando a los tiñosos, Santa Isabel die de leprozen verzorgt (je ziet haar hun hoofden wassen), en San Juan de Dios, San Juan die een zieke man draagt.

Hij schildert heel ingetogen (vooral vergeleken met de gouden achterwand natuurlijk, en met de schilderijen die nog komen), en door wat hij met licht en donker doet, moet je aan Rembrandt denken.

Hij stond er om bekend dat hij altijd speciaal schilderde voor de ruimte waar een schilderij kwam te hangen, en hier is één van de weinige plekken waar je ze in hun eigen habitat kunt zien.

Mooi, ingetogen en zacht en vol liefde. Prima passend bij het idee van Caridad, maar niet echt passend bij Sevilla.

Er zijn nog een aantal schilderijen met bijbelse taferelen vol mensen in een landschap, maar vooraan hangen twee schilderijen die gaan over de aanleiding van Miguel de Mañara om zijn leven om te gooien, en die ik juist weer helemaal Sevillaans vind.

Ze zijn van Valdes Leal, en volgens Murillo kun je er alleen met je neus dichtgeknepen naar kijken.

Je ziet hier de dood (in de vorm van een geraamte) met een kist onder zijn linkerarm en een zeis in zijn linkerhand, die met zijn rechterhand, half naar ons toegekeerd, een kaars uitknijpt.

Hij staat daar heel sneaky en verbaasd, alsof de camera hem in een snelle beweging heeft betrapt.

In ictu oculi staat boven de hand van de dood, in een oogwenk.

Onder de kaars zie je allerlei aardse bezittingen, van goud, die in het donker gehuld zijn door het uitgaan van de kaars: daar heb je niets meer aan p[ het moment dat je doodgaat, is de boodschap die er van af druipt.

Alleen een rode mantel lijkt nog in het licht van de kaars te baden: het licht daar weet nog niet dat de kaars al uit is.

 

Als je het altaarstuk van dichtbij bekijkt duizelt het je van de details.

En deze gouden cherubijntjes torsen dat hele zware geval ;-)

 

Het andere schilderij van Valdes Leal heet Finis Gloriae Mundi, het einde van de glorie van de wereld.

Je ziet een bisschop en een kruisridder, beiden overduidelijk dood, beiden in hun kist. Daar achter liggen nog wat verstofte geraamten, de meeste ook in een kist.

Erboven hangt een balans, vastgehouden door een hand met bloedend gat: Jezus himself.

In de ene schaal ligt een hond, een schaap, pauweveren en een appel: aardse bezittingen en wereldlijke kennis. Daaronder staat "nimas", niet meer.

In de andere schaal ligt een rozenkrans, een bijbel, een hart (met de letters JHS) en twee broden: dat is waar alles uiteindelijk om gaat. Daaronder staat "nimenos", niet minder.

Een prachtig Sevillaans schilderij, met voor mij als opvallend detail dat ook een bisschop als voorbeeld wordt gebruikt van iemand die in de gaten moet houden of de balans wel de juiste kant op zal slaan.

Ik kan er geen genoeg van krijgen, van deze "overdreven" schilderijen, maar tenslotte vertrekken we weer. In de hal bij de ingang hangen nog een aantal tegeltableau's met teksten van de Hermandad. Daar schijnt ook ergens het graf van Miguel de Mañara te liggen, met daarop gebeiteld dat daar de slechtste man ter wereld ligt begraven, maar dat hebben we niet gezien.

Op de terugweg zeggen we tegen de man die heel bescheiden de kerk in de gaten houdt, dat het mucho bonito is, en dan knipperen we onze ogen weer tegen het licht van Sevilla in maart, wanneer we buiten komen.

 

Bij het oversteken van de straat horen we flamenco uit een auto komen, en op dat moment beseffen we dat we hier nog vrijwel geen muziek gehoord hebben, niet in bars, niet in auto's.

We lopen verderen naast de kerk van het Hospital de la Caridad staat een volgend groot gebouw dat je van binnen mag bekijken. Geen idee wat het is, maar we zijn tenslotte op vakantie.

We lopen een enorme ruimte in, met gewelven boven ons hoofd. Het is meteen kouder hier, en het ruikt naar Echte Kelder. De ruimte is heel erg groot, met ergens in een hoek opgravingen.

Eén "wand" bestaat uit de Moorse stadsmuur, en de opgravingen laten Moorse steegjes naar die muur zien.

Alles wat we hier zien, de gewelven, de Moorse steegjes, lag buiten de stadsmuur: er was en ruimte (een moerassig gebied waar het "niet pluis" was, lange tijd) tussen de stadsmuur en de rivier.

In de Moorse tijd is er begonnen om hier een scheepswerf aan te leggen van 17 hallen groot. Het Hospital de la Caridad is in een aantal van die hallen gebouwd, er zijn er nog 5 afgebroken, en er zijn nu nog 7 hallen over.

Later zijn de hallen van de scheepswerf gebruikt als vismarkt, als opslag voor wijn, en tenslotte als werkplaats voor het fabriceren van artillerie.

De Atarazanas Reales heet het hier (de koninklijke scheepswerven), of de Maestranza van de artillerie.

 

Wat er staat is ongeveer:

Panorama met zicht op de scheepswerven in begin twintigste eeuw. Onder het kantoor, resten van de ingang (marmeren kapitelen en sokkels), die zich nu bevinden in het archeologisch museum van Sevilla.

Het enorme gebouw op de achtergrond is trouwens het ayuntamiento, het gemeentehuis.

 

Direct op de hoek zit dit prachtige restaurant Meson de la Infanta (Meson is een van de vele namen voor een restaurant).

Het heeft een enorm tegeltableau.

 

We lopen verder, op zoek naar de Plaza de Toros de la Maestranza. Vreemd genoeg zie ik opeens door een hek een stukje ervan (een rondlopende witte muur, met rode houten deur, okergele rand er omheen, en de nummers van de zitplaatsen in tegeltjes erboven), maar verder zijn er aan deze kant huizen tegenaan gebouwd.

We volgen de straat dus, die ook gebogen loopt, kijken nog even in een winkel met spullen voor paarden (prachtige leren rijlaarzen, zadels, riemen, en alles ruikt hier naar leer), en dan kunnen we linksaf langs de rest van de arena.

 

Alles is keurig onderhouden hier, tot en met de straat die geplaveid is met kiezelstenen in een patroon. De ingang is aan de rivierkant, en ook hier kun je weer tegen betaling van een paar euro naar binnen, en uiteraard doen we dat.

Je blijkt hier te moeten wachten (twee minuten in ons geval) op een rondleiding, die door een Spaanse in rood stewardess-achtig mantelpakje wordt gegeven. Ook de anderen (een stuk of 6) uit onze groep verstaan Engels, dus dat wordt de voertaal van de rondleiding.

 

We lopen de arena in, die heel groot blijkt te zijn. Een grote cirkel van zand, dichte rode houten hekken daaromheen, en dan bakstenen bankjes zonder leuning, oplopend, met het nummer van de zitplaats in de vorm van een tegeltje.

Helemaal bovenaan een aantal rijen bankjes die overdekt zijn door middel van een zuilengalerij. Dat zijn de duurste zitplaatsen uiteraard ( kaartjes voor een stierengevecht zijn wanstaltig duur!).

Het lichtblauw van de nummertegeltjes geeft een merkwaardig soort levendigheid in de zee van banken aan de overkant.

 

Hier zie je goed hoe groot de arena is.

De plaza de toros van Ronda is de oudste; deze de een-na-oudste. Die van Madrid is de grootste; deze de op-een-na-grootste. Arm Sevilla!

De grootte van de ring beklemt me. Ik stel me voor dat ik daar in dat zand sta, en dat er een stier aan de overkant door het houten hek wordt gelaten. Ze heeft net uitgelegd dat de stieren daar aan de overkant binnenkomen, en de matadores hier waar wij staan naar binnen gaan (er is een "gewone" ingang voor matadores, en een "ere-ingang" voor wie al bewezen heeft heel moedig te zijn).

Zo'n stier kan over deze enorme afstand ook een enorme snelheid ontwikkelen, besef ik.

Wanneer ze heeft verteld dat hier 14.000 mensen kunnen zitten, en dat hier van april tot oktober elke week stierengevechten worden gehouden, met 6 stieren, en dat de hele arena overdekt kan worden met een doek, niet tegen de zon, maar tegen de wind, zodat die geen spelletje kan spelen met de rode doek, vraagt ze of we nog meer willen weten.

Ik vraag dus of het inderdaad zo is, dat een grotere arena voor een matador moeilijker is dan een kleine, en inderdaad, een matador moet in Sevilla erg hard kunnen lopen, vertelt ze.

 

Ik voel bijna de adrenaline die zo'n aanstormende stier veroorzaakt, en heel toepasselijk is de volgende stop tijdens de rondleiding het ziekenhuisje voor de matadores.

Alles is daar aanwezig, voor simpele EHBO, tot spullen voor operaties en hartbewakingsapparatuur.

Vreemd genoeg kan ik nu bijna begrijpen waarom iemand matador wil worden. Zeker hier in Spanje, waar moed en eer vanzelfsprekende waarden zijn.

 

Boven het ziekenhuisje hangt een foto van de beroemdste Maria van Sevilla, en misschien wel van Spanje: die uit de Macarena (ook een wijk in het oude centrum).

Er onder staat de tekst: La hermandad de la Macarena a la Enfermeria de la Plaza de Toros de la Real Maestranza, de Sevilla, pidiendole a la Santissima Virgen de la Esperanza, sea la Enfermeria Celestial del torero herido.

En het betekent zoiets als: de broederschap van de Macarena, in het ziekenhuis van de Plaza de Toros van de Real Maestranza van Sevilla, vraagt de allerheiligste Onze-lieve-vrouwe van de Hoop, om de hemelse verpleging te zijn van de gewonde torero (althans, dit is mijn beste poging tot vertaling).

.

 

Er hangt - uiteraard - ook een tegeltableau, voor de grote Sevilliaanse torero Manuel Vazquez Carces, als herinnering aan zijn triomf in deze Plaza de Toros, op de dag van Corpus Christi in 1981. Wat er verder staat klan ik niet goed ontcijferen: toen hij naar de Puerta del Principe vertrok op z'n schouders (?) op de leeftijd van meer dan 50 jaar en 30 alternatieven(?).

 

We komen nu in het museumpje, waar ze vertelt dat stierenvechten vroeger een spel was, maar dat er op een gegeven moment scholen werden opgericht (de eerste hier in Sevilla), waar jongens met 14 jaar (!) werden opgeleid tot matador.

We zien het afschuwelijk kleine pakje van zo'n 14-jarige, die erg beroemd is geworden, en op 25-jarige leeftijd "in het harnas" is gestorven. Vroeger gingen er ook veel paarden dood in de ring, maar die krijgen tegenwoordig beschermende spullen aan.

De laatste keer dat er een matador omkwam in de ring, was in 1929. De oudste matador van dit moment is 65 jaar, en vecht nog steeds in Sevilla.

Als een stier een matador doodde, werd niet alleen de stier gedood, maar ook de moeder van de stier. In het museum hangt de kop van de moeder van de stier die Manolito doodde, één van de beroemdste stierenvechters aller tijden.

 

Het museumpje is leuk en divers: er is van alles te zien, als het maar te maken heeft met stierengevechten, en liefst op de een of andere manier verbonden is aan Sevilla.

Dit tekeningetje van Jean Cocteau vond ik erg leuk.

 

Onze gids is plezierig en erg goed. Ik vraag haar of er vrouwelijke stierenvechters bestaan.

Er is er eentje, vertelt ze, en die is Italiaanse. Ik vraag haar of ze Habla con ella heeft gezien (waar een vrouwelijke matador in voorkomt).

Die kent ze (very good movie, en dat ben ik volledig met haar eens), en de vrouwelijke matador wordt gespeeld door de beroemdste zangeres van Spanje: Rosario Flores; dat wist ik niet, dat ze zangeres is.

 

Na het museum mogen we nog de stallen voor de paarden bekijken. Niet die voor de toreadores, maar die voor de paarden van de mindere goden.

Als Ernst vraagt naar de stallen voor de toreadores (we zien aan een bordje dat die er zijn) doet ze ontwijkend: op de één of andere manier krijg je het gevoel dat die toreadores vinden dat het ongeluk brengt als er toeristen in de buurt van hun stallen komen. Ook de stallen zijn kraakhelder, en zijn wit met rood en oker.

 

En dan is het afgelopen.

Nooit gedacht dat ik een Plaza de Toros zo interessant zou vinden. Het meest absurde is zelfs dat ik weet dat als ik hier ooit ben tussen april en oktober, ik er misschien zelfs wel een kijkje zou willen nemen.

Je ziet hier mooi dat elk type zitplaats z'n eigen ingang heeft. Dit is de ingang voor "Sol bajo", in de zon, laag op de tribune.

In de zon, dat zijn de minst aantrekkelijke zitplaatsen, in Sevilla: het is er niet om uit te houden, in de zomer.

 

Buiten staat een standbeeld van Curro Romero, een in de buurt van Sevilla geboren torero die 42 jaar lang in de arena heeft gestaan (hij is op z'n 66ste met pensieon gegaan), en van wie de "stijl" alom werd geroemd.

 

De ingang van de Plaza de toros (die je hier ziet) ligt aan de Guadalquivir, de rivier die Sevilla in tweeën deelt.

Het is de enige rivier van Spanje die het gehele jaar door bevaarbaar is. Sevilla heeft er z'n rijkdom aan te danken.

En de naam is - hoe kan het ook anders in Andalucia, Moors.

Aan deze kant van de Guadalquivir ligt Casco Antiguo, het oude centrum, en aan de overkant ligt Triana.

 

We steken de drukke Paseo de Christobal Colon over, en komen aan de oever van de Guadalquivir, die, hoe kan het ook anders, heel romantisch dienst doet als parkeerplaats. Hier en daar is een trapje naar het water, waar je kunt zitten, en dat doen we, uitkijkend over de hier erg brede Guadalquivir.

We hebben hem zien ontspringen als miniem beekje, en naar het noordoosten zien stromen, we hebben hem een 180 graden draai naar het zuidwesten zien maken, we hebben hem door Cordoba zien stromen waar hij vol met Zilver- en andere reigers zat, we hebben hem in de Atlantische Oceaan zien uitkomen bij de Coto Doñana (gemarkeerd door twee helften van een schip, als door een reuzenkind in tweeën gebroken en voor de kust in de bodem van de zee vastgestoken), en hier stroomt hij bevaarbaar en al door Sevilla, dat door die opening naar de Oceaan ooit zo rijk is geworden dat nog steeds hordes toeristen, waaronder wij, op de resultaten daarvan afkomen.

*** Red. Eigenlijk jammer dat het hier een echte rivier bedenk ik me, want in Cordoba was het een soort Wetlands met allerlei ondiepten waar de vogels een warmwaterwalhalla hadden.

Het is heel rustig: zo nu en dan komt er een waterfiets of een rondvaartboot voorbij (watertaxi naar het Expo-eiland, het Isla de la Cartuja), en dat is het.

*** Red. Onder de brug door zien we groen lonkende heuvels waar de Expo zou liggen, vreemd want ik verwacht allemaal betonblokken, boven op de kade staat wel een monsterlijk uitvergrote deegmachinekop met een gedicht van Elie Wiesel, die oproept tot een heruitvinding van de tolerantie zoals die hier in de vroege middeleeuwen tussen christen jood muselman en ongelovige heerste, en dat aan de vooravond van een nieuwe kruistocht van een doorgedraaide christen die de rijkdommen van het Oosten te zeer begeert. History repeats.

Verderop komen we langs een plekje met gras (of iets wat daar op lijkt) en bomen, die schaduw geven. Dat is de slaap. en verblijfplaats van de Sevillanse zwervers.

We steken de Puente de Isabel II over, de brug dus, Triana in, de wijk aan de overkant van de rivier.

Op de hoek aan de overkant is een bar met goedkoop eten, El Faro de Triana, en je kunt boven op de daken gaan zitten, met uitzicht over het "klassieke" Sevilla.

*** Red. Er tegenover bevind zich de markt, de Mercado de Triana, waar een heel lieflijk torentje met poortwachtersgebouwtje naast staat met miniatuurkoepels van blauw wit geblokte tegeltjes.

 

Het bovenste dak is vol; het een-na-bovenste is helemaal leeg, geheel en al in tegenspraak met de Spaanse cultuur gaan wij op het lege dak zitten. We bestellen bier en eten (Solomillo al whiskey deze keer voor mij, veel te lekker: mijn spijkerbroek zit al veel te strak) en genieten van het uitzicht aan de overkant.

En dat uitzicht is geweldig! Hier zie je de Plaza de Toros, waar we net vandaan zijn gekomen, en op de achtergrond de kathedraal met de Giralda.

 

En even verderop zien we de Torre del Oro.

Die is net als de Giralda, gebouwd door de Moren, begin dertiende eeuw.

Hij maakte deel uit van een stadsmuur die het Alcazar beschermde.

Wanneer ik naar de wc ga moet ik naar beneden, en helemaal om de enorme hoefhijzervormige bar heenlopen. De barkrukken zijn allemaal bezet door Spaanse mannen.

Stuk voor stuk draaien ze zich op hun kruk om, zeggen Olla, maken volslagen onnodig zo galant en omstandig mogelijk ruimte voor me, en vragen of ik er langs kan.

Net zo macho als in Italië dus, maar op een veel aangenamere manier.

*** Red. En zoals de cultuur bepaalt (je gaat bij anderen zitten, als Spanjaard, en niet in je eentje) gaat iedereen nu hier zitten, en zit dit dakje ook gelijk vol, totdat er weer vrienden van vers gearriveerden aankomen, en er dus weer een tafeltje leeg komt. Maar wat is dat, de heer laat de mand vol Gamba's op het tafeltje staan? Maar dit is geen Nederland, maar Spanje, dus al snel brengt de ober die de rotzooi afruimt het mandje met een bordje erop tegen het afkoelen naar beneden, kortom ondanks dat ze heel horkerig hun afstand en onafhankelijkheid bewaren, zijn het toch hele aardige en welwillende obers die trotse dienders.

Bij het betalen vraagt onze ober waar we vandaan komen.

Na het horen van Ollanda begint hij voetballers op te noemen. Ik kan me alleen Gullit herinneren: op elke naam moet je even herkauwen om te herkennen welke hij bedoelt: Nederlands op zijn Spaans uitgesproken klinkt vreemd erg vreemd.

Zijn collega-ober komt erbij staan, kijkt Ernst aan, en schudt nee.

Hij begint namen uit Ernst z'n jonge jaren op te noemen: Cruijff, Rensenbrink, van der Kerkhof, Rep, enzovoort.

En zo staan ze daar tegen elkaar op te bieden, het houdt niet meer op, ze weten steeds meer namen. Soms, heel soms, is het leuk dat Nederland zo'n achterlijk voetballand is.

 

We lopen Triana in. Rechts, aan het einde van de Calle San Jorge, zie ik een winkel met keramiek, Ceramica Santa Ana.

Dit is überkitsch. De Plaza de Toros als asbak, de Giralda als klokje, flamencodanseresjes, alles kun je hier krijgen, origineel handwerk uiteraard. Godzijdank is het siësta, anders had ik de verleiding niet kunnen weerstaan en zat ik nu met een paar verschrikkelijk lelijke souvernirs van Sevilla opgescheept.

Ik zie dat hier een Museo de la Ceramica is gepland. Ik hoop dat de crisis dat niet in de weg zit: het lijkt me een gewldig plan!

 

Het straatje linksaf blijkt heel veel van dit soort prachtwinkels te bevatten.

Veel huizen zijn ook versierd met tegels, en sierstucwerk.

En zoals je ziet komen hier meer kleuren voor naast het oker en donkerrood.

 

Even verderop zit Ceramica Montalvan, die Delfts blauw aan de gevel heeft.

Ik lees trouwens dat Montalvan gesloten is, vanwege de crisis. Wat zonde!

 

Daarna lopen we weer terug naar de Calle San Jacinto, met onwaarschijnlijke winkels (een soort Blokker vol plastic spullen die wel uit het oostblok moeten komen), bars, de Iglesia San Jacinto, en heel veel verkeer. En tegeltableaus, zoals je ziet. Deze is voor ham.

De zijstraten zien er steeds doodser uit, met woonkazernes, en in de straat zelf kom je af en toe nog een interssante winkel vol hammen met verschillende hoeveelheden sterren en dergelijke tegen.

We moeten ooit toch een keertje linksaf, dus dat doen we als we een zijstraat met een markt tegenkomen, maar het is een heel erg kort marktje, en daarna lopen we echt tussen de woonblokken. We dwalen zo'n beetje zigzaggend terug richting rivier.

Onderweg komen we een Lidl tegen, waar we een familiezak chips en anderhalve liter bronwater halen (samen 64 cent).

Op de hoek bij de Lidl het volgende tafereel: een vrouw, haar moeder en haar man lopen op de stoep. De vrouw blijft stilstaan, en roept iets boos tegen de man. Die roept ook boos iets terug, en vervolgens scheurt ze al schreeuwend de krant die ze bij zich had in stukken, wat wij maar interpreteren als "Kijk, dit is wat ik met je doe, lamlul!".

De moeder staat erbij alsof ze dit elke vijf minuten meemaakt, en verdomd, nog geen honderd meter verder, in de richting waar zij vandaan komen, vinden we nog een verscheurde krant.

Tenslotte komen we weer in het oude deel van Triana, vlakbij de rivier. Via smalle steegjes (huis met nieuw tegeltableau: "patio de los niños", binnenplaats van de kinderen, en inderdaad, allemaal speeltoestellen daarbinnen, inclusief kinderen) komen we bij de Calle Betis, langs de Guadalquivir.

De oever is volgebouwd met restaurants-met-uitzicht. Deze hier zitten recht tegenover de kathedraal en de Torre del Oro, en de prijzen zijn dan ook 4 maal die van de bar waar wij hebben gegeten. Dit is eigenlijk geen Triana meer, dit is toeristenafzetland.

 

We steken de rivier over, en lopen achter het Alfonso XIII langs. Dat hotel is speciaal gebouwd voor de luxe gasten van de Ibero-Amerikaanse tentoonstelling van 1929: Sevilla had geen chique hotel toen.

Hier achter zijn alleen maar parken, zover mijn plattegrond rijkt. Eerst worden die nog doorsneden door drukke wegen, die we over moeten zien te steken.

Dan lopen we langs de enorm grote, vierkante, niet meer gebruikte tabaksfabriek uit 1757, de Real Fabrica de Tabacos, (nu in gebruik als universiteit), waar Carmen ooit sigaren rolde en aantrekkelijk zat te wezen.

En dan kom je in het parque Marie-Louisa, aangelegd voor die Amerika-Spanje tentoonstelling van 1929 (diezelfde waarvoor het Alfonso XIII was gebouwd dus).

Het is een heerlijk park met palmen, fonteinen en paviljoens.

Wij gaan in de schaduw zitten bij een fontein met de drie Gratieën in marmer, een cupido in brons, en nog een liggend iemand in brons, waarvan we geen idee hebben wat of wie het voorstelt.

Er komt een groep Engelse toeristen voorbij, die uitleg krijgen van een gids, over de beelden, en van hem horen we dat het inderdaad de drie Gratieën zijn, dat de ene verliefd is, de tweede houdt-van, en de derde verlaten is, en we horen dat de Cupido een Cupido is, maar als hij over de mysterieuze figuur begint gaan die Engelsen er doorheen kwebbelen. Grrrr.

Later kom ik er achter dat dit de Glorieta de Becquer is: een monument voor de dichter Becquer. De drie gratiën stellen een gedicht van hem voor. De liggende cupido staat voor gebroken liefde, en de andere voor liefde die pijn doet.

"Vreemd dat er hier geen papegaaien zijn", bedenk ik, en terwijl ik dat opmerk horen we hun kreten. Net iets anders dan de Halsbandparkieten bij ons in het park voor het huis in Delft. Monniksparkieten dus waarschijnlijk, maar ik krijg ze niet te zien.

 

Er zijn hier een aantal paviljoens die erg de moeite waard zijn, maar wij zijn te moe om alles af te lopen: het park is echt achterlijk groot.

De Plaza de España is vlijkbij, en die wil ik zien. Om er te komen lopen we langs waterpartijen, beelden, en een groot prieel dat geheel bezet is door oude Spaanse mannen en vrouwen, die daar precies zo zitten als ik me mezelf voorstel wanneer ik oud ben: lekker een beetje kletsen en mensen kijken, en verder niks.

Het Plaza de España is een halfrond plein met een fontein in het midden, een halfrond gebouw er omheen, veel water, en een overvloed aan souvenirstalletjes, touringcars en paardenkoetsjes voor het plein. Op de foto zie je een van de twee torens die het gebouw aan weerskanten afsluiten.

Het gebouw zou, wanneer je je ogen een beetje dichtknijpt zodat je de afbladderende verf en de gebroken tegeltjes niet ziet, zo uit een sprookje van 1001 nacht kunnen komen.

Zuiltjes, galerijen, grote bollen bedekt met tegeltjes, tegeltableau's, vrijwel volledig vervaagde muurschilderingen (fresco's klinkt chiquer, dus noem ik het gewoon muurschilderingen).

"Neorenaissancistisch met neomudejar invloeden" volgens de boekjes, wat natuurlijk gewoon een duur woord is voor kitsch. Prachtig!

 

Het is nog vroeg in het seizoen: de koetsjes hebben nog weinig te doen.

Ik kan me zo voorstellen dat dat in de zomer anders is: dan is het te heet om ver te lopen, en zo'n ritje in een koetsje (zeker als ze een parasol hebben) is dan een aantrekkelijk alternatief voor het lopen van afstanden. Afstanden lopen doe je hier namelijk vanzelf: er is zo ongelofelijk veel te zien!

 

Hier zie je het gebouw in z'n geheel (nou ja, bijna dan), met fontein op de voorgrond.

Je ziet de zuoltjes van de galerijen mooi, en er is ook te zien dat overal tegels en andere versiering te zien zijn.

Het plaveisel is trouwens ook bijzonder: dat is gelegd van zwarte en lichte kiezelstenen; een manier van plaveisel maken dat - alweer - door de Moren is geïntroduceerd. Ik vind het een erg mooie manier van straatbekleding.

 

We klimmen de trap in het midden op (alles is uiteraard symmetrisch aan dit gebouw), en lopen de galerij op, die in de vorm van een kwart cirkel naar links loopt. Het gebouw is echt heel hard toe aan een opknapbeurt.

Halverwege de kwart cirkel vinden we een trap naar boven. Van buiten kon je daar al een tweede galerij zien lopen. Uiteraard klimmen we omhoog, en als je tijdens dat klimmen omhoog kijkt zie je sneeuwwitte duiven op de donkere balken van het plafond zitten. Je verwacht bijna dat er eentje opeens in een prinsesje zal veranderen.

De betegelde trap zit onder de duivenpoep, de duivenveren en de gebroken duiveneiëren (duiven zijn overduidelijk niet al te handig).

Boven heb je uiteraard een groots uitzicht over het plein en het gewriemel van de mensen.

Op de bovenste galerij naar het midden toe een paar satellietschotels; op de andere galerij een verzameling van die lelijke kasten voor de airconditioning. Beide galerijen zijn afgesloten voor publiek, en terecht: de leuningen zijn zo afgebrokkeld, en de vloer ziet er zo gammel uit, dat ik me daar niet vrijwillig op zou wagen.

Verder dus over de eerste galerij, en dan blijkt dat daar het één of andere ministerie zijn intrek heeft genomen: vandaar die airconditioning. Een prima plek uiteraard, maar ze moeten wel iets beter voor het gebouw dat hen onderdak biedt zorgen, want op deze manier stort het binnenkort in.

 

Van hieruit zit je zo op de esplanade met de zuil voor Columbus, en via de tuinen van Murillo (had ik die enorme bomen met die luchtwortels al beschreven, en hoe daar een groepje giegelende Japanse dames voor ging poseren om zich door een andere Japanse dame te laten fotograferen? Het zijn volgens mij een soort Magnolia's, lang, lang geleden geplant. Je ziet ze heel veel in de stad), lopen we via de steegjes van Santa Cruz terug naar het hotel.

Onderweg komen we een stil pleintje tegen, met sinaasappelbomen, bankjes, een bestrating van klinkers en grind in patronen, en een terrasje. Erg mooi

 

En even later zien we een Papegaai overvliegen, wanneer we langs de muren van het Alcazar lopen. Hij lijkt wel zwart-wit, met een lange staart.

Ik heb pas thuis in m'n vogelboekjes kunnen zoeken, want ik had er geen eentje bij me, maar het klopt inderdaad met een Monniksparkiet: die hebben een donkerblauwe staart en vleugels, en een heel lichtgroene buik en lichtgrijze kop.

Aangezien een paradijs niet compleet is zonder papegaaien, ben ik hier uitermate blij mee.

 

Langzamerhand hebben we een eigen ritme gevonden: slapen van 6 tot 7 à 8, dan langzamerhand opstaan, en dan naar buiten om te slenteren, te eten en te drinken.

We lopen hier vele kilometers, en de indrukken zijn nogal overweldigend als je hier per vliegtuig in één keer wordt neergeplempt. Bijzonder aanbevolen ritme dan.

Hier de patio van ons hotel Las Casas de los Mercaderos.

 

Om 8 uur gaan we op weg naar het pleintje dat we eerder die dag hadden ontdekt, en we ontdekken dat je door een poort van het Alcazar mag lopen, waar een plein is met de muur waar je onderdoor kwam aan één zijde, het eigenlijke Alcazar aan de andere kant, huizen in wit en oker aan beide zijkanten, en een plein met bomen in het midden.

In Santa Cruz kom je altijd ergens anders uit dan je denkt als je een andere route neemt, maar we vinden tenslotte ons romantische pleintje terug.

Als we zitten merken we dat wat één terras leek van twee verschillende restaurants is. Ons terras hoort bij het restaurant op de hoek van het pleintje. Volgens het menu zou hier ooit de vrouw gewoond hebben waar Don Juan verliefd op was, en die hij maar nooit kon krijgen. Volslagen onzin natuurlijk, maar ja, we zitten in Sevilla he, waar ze van alles iets moois maken.

Het andere terras hoort bij een restaurant dat een paar steegjes verderop zit. De obers van dat restaurant lopen zich de benen uit het lijf. Hmmm, een tip voor Carlo: hier ziet de baas nooit dat je bestek van de grond opraapt om het weer op tafel te leggen, of dat je de soep gemorst en al serveert.

Het is belachelijk duur hier: een echt toeristenuitknijpgedoetje.

Maar de (in een veel te klein glaasje geschonken) Manzanilla is heerlijk, de witte wijn meer dan heerlijk, en mijn portie queso (kaas) (ik heb nauwelijks honger) overheerlijk.

 

In mijn boekje heb ik gelezen dat "the" place to be" 's avonds in Sevilla, Plaza Alfafa is. Wie weet vinden we daar flamenco!

En zo dwalen we 's avonds door Santa Cruz.

Ik heb van te voren zo'n beetje op mijn plattegrond gekeken, maar redt dat 's avonds op straat niet zonder leesbril, en die heb ik natuurlijk niet bij me en als ik hem bij me had zou ik hem niet opdoen.

Ik heb Ernst niks verteld over Plaza Alfafa of over flamenco: we komen geheel en al toevallig uit, dankzij mijn intuïtie, uit op precies de juiste plek, dat is het idee.

Pleintjes, kerken, steegjes, ik had al verteld dat Santa Cruz ingewikkeld en krom is geloof ik toch?

Rond elke kerktoren vliegen, zoals je hier ziet, Kleine Torenvalken.

We komen op een volslagen andere plek uit dan ik dacht: ergens aan de achterkant (hoe heb ik het voor elkaar gekregen?) van Casa Pilatus. Ik beken mijn plan maar aan Ernst, en met behulp van een gezamenlijke actie van de kaart en Ernst komen we tenslotte inderdaad uit op iets dat Plaza Alfafa heet.

Het lijkt alleen niet echt the place to be (ik denk dat we veel te vroeg waren....)

Er zijn een paar bars die er leuk uitzien, en er zijn een paar bars zonder kraak of smaak.

Eén bar is wel bijzonder: je ziet de hele bar niet, maar je ziet wel een man of 50 op straat staan met een drankje en of een hapje. Dat is wel een superSpaans gezicht natuurlijk, maar ook hier horen we nergens muziek, ook niet bij de bar met zoveel klanten op straat.

Oftewel: we zien eigenlijk geen reden om hier rond te blijven hangen.

We lopen, weer op aanwijzingen van Ernst plus kaart, terug naar het hotel. Daarbij komen we weer door Spaanse winkelstraten, deze keer tot mijn grote genoegen geheel aan schoenen gewijd, en eentje aan kinderkleren, die je hier in de meest tuttige versies voor te stellen ziet.

Tenslotte, na de flamencojurkenwinkelstraat, verschijnt het pleintje vlakbij ons hotel in zicht, en dan zie ik pas dat dat Plaza Alfafa eigenlijk maar een paar honderd meter van ons hotel af ligt.

 

Dit is, als ik me goed herinner, de toegang tot de WC in een van de bars waar we die avond zijn geweest.

 

Ter compensatie voor de afwezigheid van flamenco, of zelfs maar andere muziek, maken we nog even een omweggetje, waarbij we door een poort komen met een plaquette die gewijd is aan Cervantes.

Ze doen heel vaag over zijn verblijf hier, op die plaquette, wat logisch is, want Sevilla kent hij alleen vanuit de gevangenis.

Het is wel hier in die gevangenis waarin hij uit pure verveling aan Don Quichotte is begonnen, maar Sevilla vindt het duidelijk moeilijk om te aanvaarden dat het adres van hun beroemde inwoner de gevangenis was.

Vlakbij het hotel vinden we nog een speelgoedwinkel. Echt een hele mooie, met een etalage vol autootjes, motortjes (een crosser met afstandbediening), boten, vliegtuigen en treintjes.

In de etalage staat ook een spoorbaantje met zoutmeer waarin piepkleine roze flamingootjes staan, en daarboven vliegt een hele zwerm, op dunne metalen staafjes van verschillende hoogte. Wie smelt daar nou niet bij weg?

 


© Copyright - Auteur: Sylvia Stuurman , Foto's: Ernst Anepool .
Copyright 1993-nu.
Voor commentaar, e-mail adres: sylviastuurman@gmail.com
 
terug Code voor foto: